Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooreerst bestaan er, even als er kernen zonder kernligchaampjes zijn, ook cellen zonder kern. Bij de cryptogamen, en zelfs in vele gevallen bij hoogere planten, grijpt de vorming van nieuwe cellen zonder een spoor van cytoblastèn plaats (1). Sciiwann miste de kern bij visschen in de cellen der cliorda dorsalis, welke als eene jongere generatie in de grootere zijn ingesloten (2). In zeer zeldzame gevallen lag er een zeer klein ligchaampje tegen de binnenvlakte der jonge cel aan, waarvan het onzeker is, of het zich tot eene kern zou kunnen ontwikkelen. Aan de cellen, waarin de zaaddiertjes ontstaan, is evenzeer nog geene kern gevonden. Het meest zijn de cellen van den dojer en het kiemvlies onderzocht, maar de uitspraken daaromtrent laten zich nog moeijelijk vereenigen. Sciiwann (5) onderscheidt aan den dojer van het hoenderei tweederlei kogeltjes, de eigenlijke dojerkogeltjes en de kogeltjes der dojerholte, welke bovendien in de van daarnaar het kiemvlies gaande kanalen en in den heuvel der kiemlaag voorkomen. De eigenlijke dojerkogeltjes bestaan uit korreltjes van verschillende grootte, die met de melkkogeltjes overeenkomst bezitten. In water breken zij, zoodat de afzonderlijke korreltjes vrij worden; deze schijnen door een vlies bijeengehouden te worden, want onder het compressorium verbrijzeld, scheurt de kogel plotseling aan ééne zijde, terwijl de overige randen glad blijven. Eene kern of iets soortgelijks kon Schwann niet vinden, en ook Reiciiert (4) zocht er in kikvorsch- en hoendereijeren te vergeefs naar. In vertrouwen op de algemeene geldigheid der door Sciiwann opgestelde wetten , neemt hij aan, dat de kern vroeger aanwezig geweest is en na de volkomene ontwikkeling der cel is verdwenen. Bergmann's waarnemingen omtrent de wording der dojerkogeltjes bij den kikvorsch en salamander (5) spreken deze hypothese bepaald tegen. Volgens hem bestaat de dojer aanvankelijk uit geheel en al gelijkmatig bijeenliggende korreltjes, die zich eerst in eenige groote en vervolgens in steeds kleinere groepen scheiden ;

(1) SIeïen in Wiegjunn's Aichiv, 1839, II, 19.

(2) MiJcroskopische Unlersuchungen, S* 15,

(3) t. a. p. S. 57.

(4) Entwickelungslehen, S. G, 93.

(5) MüILEr's Archiv, 1811, S. 92.

Sluiten