Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dojerholte zouden alsdan elkander juist in de tegenovergestelde orde opvolgen van die, welke Beichert opgeeft, d. i. de kogeltjes zouden eerst aangevuld en langzamerhand leeg worden, op het kern-kogeltje na. Inderdaad heeft Reichert de opvolging der afzonderlijke vormen noch naar ruimte, noch naar tijd toereikend vastgesteld. Hetgeen Bischoff (1) aan bevruchte eijeren van zoogdieren heeft waargenomen, komt ook eer met den door ons aangenomenen gang overeen. Bischoff vond klompjes van dojerkorreltjes zonder omhulsel, die later met een vlies werden omgeven, waartegen de dojerkorreltjes zich in ringen rangschikten. Ik vermoedde, dat de dojerkorreltjes zich overal tegen de wanden der blaas aanlegden en slechts het midden vrij lieten, of liever, dat de dojerkorreltjes in het binnenste der cellen langzamerhand verdwenen en die aan de peripherie overbleven. De schijn van ringen moest onder het mikroskoop ontstaan, wanneer korreltjes gelijkmatig over eene kogelvlakte zijn uitgespreid, daar zich telkens slechts eene door de kogel bepaalde vlakte in den focus bevindt. Volgens Bischoff wordt verder elk dojerkorreitje de kern eener cel. Daarop zal ik nog eens terugkomen.

Soortgelijke ligchamen als de dojerkorreltjes komen ook in den etter en andere plastische exsudaten voor. Het zijn groote, donkere kogeltjes, opeenhoopingen van eene groote menigte kleinere kogeltjes, die naar de kleinste vetkogeltjes gelijken. Zij zijn 2 tot 5 maal zoo groot als de etterbolletjes. Gluge (2) heeft ze onder den naam van zamengestelde ontstekingskorreltjes het eerst naauwkeuriger beschreven; ten onregte echter meent hij, dat de ligchaampjes, waaruit ze zijn zamengesteld, de kernen der bloedbolletjes zijn. Dit kan reeds daarom niet juist zijn, omdat de minste bloedbolletjes van zoogdieren en menschen nog eene kern bevatten. Van dezelfde soort van kogeltjes hebben Valentin (5) uit een kropgezwel en S. Muller (4) uit kankergezwellen afbeeldin-

(1) wagner's Physiologie, s. 99.

(2) Vtitersuchungen sur Pathologie, S. 12, Taf. I. Fijj. 1, 2.

(3) Repeitor. 1837, Taf. I, Fi<j. 18, d.

(4) Bau d. kranhli. Geschwülsté, Taf. I, Fi{*. 12, Taf. II, Fig. 2.

Sluiten