Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvloeijen en omdat zij zoo allengs in de grootere vetblaasjes overgaan, welker uitwendig omhulsel met zekerheid kan worden aangewezen. Asciierson (1) meende uit de matte, somtijds zelfs met eenige plooitjes bezette oppervlakte van de dojerkorreltjes der hoendereijeren tot een omhullend vlies te moeten besluiten.

Hoe zich het omhulsel scheikundig verhoudt, is ook eerst nog uil te ïorschen. Vermoedelijk bestaat het uit eene proteïne-verbinding. Het omhulsel der melkkogeltjes lost zich in azijnzuur op, waarna de vetdroppels zamenvloeijen en in aether en heeten alkohol gemakkelijk opgelost worden, waaraan zij, zoo lang zij hunne schil bezitten, tamelijk hardnekkig wederstand bieden. Het volgende onderzoek zal het eveneens waarschijnlijk maken, dat het uitwendige vlies der elementaire korreltjes uit eene eiwitachtige zelfstandigheid gevormd is.

physische voorwaarden voor de celvorming.

Ascherson (1) heeft de gewigtige ontdekking gemaakt, dat er, zoodra eiwitstof met een vloeibaar vet in aanraking komt, telkens eene stremming van eiwit plaats grijpt in den vorm van een vlies, en dat bij gevolg een oliedroppel geen oogenblik door eene eiwithoudende vloeistof omgeven kan zijn, zonder dat zich om haar een vlies in den vorm van een blaasje of eene cel vormt. De eenvoudigste wijze om dit verschijnsel voort te brengen, is, dat men een droppel eiwit en een droppel olie digt naast elkander op eene glazen plaatje brengt en hunne randen vereenigt. Het gevolg daarvan is de nagenoeg oogenblikkelijke vorming van een teeder en elastisch vliesje, dat zich door eene soort van contractie zeer spoedig in talrijke, dikwijls zeer sierlijke plooijen legt. Wanneer de vorming van dit vlies langzamer geschiedt, zoodat men de afzonderlijke momenten met het mikroskoop volgen kan, dan ziet men eerst aan de plaats, waar de droppels elkander raken, kleine, bleeke deeltjes te voorschijn komen, die zich digter bij elkander voegen en onregelmatige kleine hoopjes vormen; deze nemen door

(1) muiier's ArcJiiv, 1810. s. 13.

(2) t. a. p.

Sluiten