Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijvoeging van nieuwe deeltjes dikwijls eene kogel- of schijfvormige gedaante aan, vereenigen zich vervolgens, terwijl zich hun omvang bij voortduring uitbreidt, en vormen vliezige lappen, die aan de oppervlakte op eene naauwelijks merkbare wijze gekorreld zijn. Door vereeniging dezer lappen ontstaat eindelijk het vlies, maar dan verdwijnt de granulatie langzamerhand, en dikwijls gaat later alle schijn van eenig bekleedsel verloren.

Wanneer men olie en eiwit zamenroert of schudt, en dc oliedroppels ook slechts een oogenblik in eiwit ondergedoopt worden, dan zijn zij met een vlies omgeven, ware vetcellen. Het bestaan van dit vlies gelooft Ascherson door den dikwijls zeer zonderlingen vorm der kunstmatige cellen aan te toonen, daar het vlies de oliedroppels zou verhinderen, om den kogelvorm, dien zij verloren hadden, weder aan te nemen, doordien zij met geweld in eene taaije vloeistof waren ingedrongen. Dit moet ik tegenspreken, want ik heb dezelfde menigte van verschillende vormen, knods-, peer-, retortvormige droppels gevonden, wanneer ik olie met zuiver gedestilleerd water vermengde. Ook kan ik de donkere randen, die oliedroppels in eiwithoudende vloeistoffen aannemen, niet als bewijzen voor het bestaan van een vlies laten gelden. Dezelfde zelfstandigheid vertoont onder het mikroskoop meer of minder donkere of lichtere randen, naarmate de oliedroppels kogelvormig of plat zijn. Nu zijn zeker de oliedroppels in zuiver water meestal plat en met lichtere omtrekken voorzien, en men zou daaruit met Ascherson kunnen besluiten, dat het vlies hunnen kogelachtigen vorm behield; dit verschil in vorm laat zich echter ook eenvoudig daaruit verklaren, dat de oliedroppels in water gemakkelijk naar de oppervlakte stijgen en zich afplatten, doch in het eiwit, ten gevolge van de taaiheid en aankleving der vloeistof, onder de oppervlakte blijven. Als het meest afdoende argument voor de celnatüur der genoemde vormsels komt mij voor, dat zij hunnen inhoud door endosmose en exosmose kunnen veranderen. Zoo als bekend is, grijpt er tusschen twee oplossingen van verschillende scheikundige hoedanigheid en verschillende dikte, wanneer zij door een dierlijk vlies gescheiden zijn, eene uitwisseling plaats, zoodanig, dat de meer zaïnengedrongene vloeistof uit de dunnere water aantrekt. Zijn de dierlijke vliezen geslotene blazen, dan worden zij door aantrekking van water (endosmose) I. 13

Sluiten