Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootte bereikt hebben, als kogelvormige openingen of holle ruimten vertoonen, omdat de zelfstandigheid, waaruit zij bestaan, een minder sterk lichtbrekingsvermogen bezit, dan die van den grooten kogel. "W anneer de vergrooting der openingen (vacuoles volgens Di'jardin) wordt voortgezet, dan krijgt de kogel het voorkomen van een traliewerk, dat eindelijk schijnt in een te vallen en een gering, zwak, korrelig overblijfsel achter laat. I)e zelfstandigheid der sarcode onderscheidt zich van ^et reeds optisch door haar gering lichtbrekingsvermogen ; zij stremt door wijngeest en salpeterzuur, wordt wit en ondoorschijnend , en vertoont daarin hare verwantschap met de proteineverbindingen. Zou niet de vorming der vacuolen op eene scheiding der oplosbare en onoplosbare bestanddeelen berusten, zoo als wij die in het groot bij de stremming der dierlijke vloeistoffen waarnemen ? Ook het stremsel der lymphe is aanvankelijk grooter en trekt zich eerst langzamerhand zamen, zoodat een gedeelte water en oplosbaar eiwit nog met de vezelstof chemisch verbonden is en zich eerst later alscheidt, zich bij het omgevende water voegt en de hoeveelheid der wei helpt vermeerderen. Dujardin beschouwt eveneens het ontstaan der holten als een gevolg van de scheiding des waters, dat gedurende het leven met de dierlijke zelfstandigheid verbonden was. Kort te voren geeft hij wel is waar op, dat de holten met de ingedrongene vloeistof, die den kogel omgeeft, gevuld zijn, en ik mag, ter gunste dezer laatste beschouwingwijze eene waarneming van Ascherson niet verzwijgen (1), dat namelijk in oliedroppels, die met eiwit omgeven zijn , het eiwit ook in enkele droppels indringt, die zich als ledige ruimten voordoen en door Ascherson zeiven met de vucuolcs van Dujardin vergeleken werden.

Of er langs den zoo even beschrevenen weg ware elementaire cellen gevormd worden, die de geschiktheid bezitten om zich typisch verder te ontwikkelen, daarover moeten latere onderzoekingen beslissen.

Reeds in de inleiding hebben wij van de beschouwingswijze van Raspail en Schwann melding gemaakt, volgens welke de elementaire cellen met de kristallen der anorganische stoffen zouden te vergelijken zijn en slechts in zooverre daarvan verschillen, als de

(1) Müuer's Archiv , 1840, S. 58.

Sluiten