Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derzoekingen omtrent de ontwikkeling van Lymnaeus en Planorbis het volgende: » Er vertoonen zich eerst 5—4 kogeltjes; deze sluiten andere in, welke weder groeijen, de eerste uitzetten , en zoo voort, totdat er zich eene homogene cellen-massa gevormd heeft, welke reeds nagenoeg volkomen den vorm van het kleine weekdier vertoont." Dumortier, die de ontwikkeling van Lymnaeus ovalis naging (1), vond in de primitive cellen binnen in het embryo, secundaire cellen, » die zich ten koste der in haar bevatte voor organisatie geschikte stollen gevormd hadden." De primitive cellen zouden scheuren, om voor de secundaire plaats te maken. Ilij telt er ongeveer 8 in elke moedercel (2). Bij de kikvorschèn en het hoen heeft Reiciiert het ontstaan van jonge cellen in de cellen van den dojer uitvoerig beschreven (3). In de korrelige dojercellen van den kikvorsch, waarvan wij in eene vroegere afdeeling het ontstaan uit elementaire korreltjes hebben geschilderd, vertoonen zich allengs, wanneer men van het midden des dojers naar den omtrek voortgaat, 2 tot 5 donkerder vlekken, en in den gekneusden inhoud bevinden zich onder de kleine elementaire korreltjes 2 tot o grootere, geelachtige kogeltjes, van een korrelig aanzien en somtijds door eene lichte massa omgeven. In de nabijheid van den kiemheuvel vallen deze vlekken steeds meer in het oog en in den kiemheuvel zelf hebben zij zich van elkander gescheiden. Elke vlek is nu een hoopje van korreltjes, waarin een geelachtig, grooter kogeltje, nucleus, bevat is. Terwijl die korreltjes in den omtrek naar het centrum toe allengs verdwijnen, komen het uitwendige vlies en de kern duidelijker te voorschijn en uit de hoopjes van korreltjes worden de eigenaardig gekenmerkte kerncellen gevormd, die Schwann (4) reeds uit het kiemvlies van het bebroeide ei heeft bereid. Dezelfde ontwikkelingstrappen komen in het hoen naast elkander in de cellen van

(1) t. a. p. VIII, 146.

(2) In tegenspraak met deze opgaven staat eene aanmerking van Poucbet , (Ann. des scienc. vat. 2. Sér. X, 63), volgens welke de dojer van lymnaen aanvankelijk uit 6 cellen zou beslaan van 0,04—0,05 Mm. doormeting, en zich vervolgens in de tussclienruimten dezer primitief-cellen, derhalve in de intercellulaire gangen, nieuwe cellen vormen.

(3) EntwicJielu?igslebe?i, S. 6, 88.

(4) Mikrosltop. Utitersuch, Taf. Jf, Fig. 6.

Sluiten