Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(laar binnen ontstaat dan om liet kiemblaasje de dojer-zelfstandiglicid , en eindelijk om den dojer liet chorion.

Wij hebben hier alle gevallen bijeengebragt, waarin eene endogene ontwikkeling Tan cellen plaats grijpt of vermoed wordt , daai gelaten oi de jonge cellen met de oude overeenkomen of niet, omdat het er voornamelijk slechts op aan kwam, dit beginsel der celvoiming aan te toonen. Ouder het begrip van voortplanting is zeker , streng opgevat, alleen het onstaan van gelijksoortige cellen , zoo als in de kraakbeenderen, in de gezwellen enz. begrepen. De vorming van epitheliumcellen, slijm- en bloedbolletjes in vaat- en kliercellen laat zich als ongelijksoortige, heterogene voortplanting onderscheiden.

5. Er bestaat bij de planten ook eene vermeerdering der cellen door verdeeling, doordien er dwarse en overlangsche tusschenschotten ontstaan, die van den celwand naar de holte toe groeijen en ineenloopen (1). Bij de dieren is daarvan geen voorbeeld bekend. Wij zouden met Schwakn de celvorming in den dojer door splijting voor een analoog procés houden, wanneer wij den dojer als eene eenvoudige cel mogten beschouwen. Door insnoeringen op de oppervlakte, welke allengs dieper indringen, wordt namelijk de dojer eerst in twee gelijke helften verdeeld; elk dezer helften wordt "cdei dooi eene nieuwe insnoering, welke de eerste regthoekig snijdt, in twee helften verdeeld; vervolgens ontstaan er diagonale voren in eene grootere of kleinere hoeveelheid, meer of minder regelmatig, tot dat de geheele dojer een moerbeivormige, uil kleine rondachtige ligchaampjes zamengestelde kogel geworden is. Volgens de \ ï oeger reeds medegedeelde onderzoekingen van Bergmann geschiedt dit daardoor, dat elementaire korreltjes, waaruit de dojer bestaat, zich in grootere en steeds kleinere groepen verdeelen, die niet door omhullende vliezen, maar alleen door een taai bindmiddel bijeen gehouden worden. De scheiding der groepen zou derhalve op eene plaatselijke resorptie of vervloeijing yan het bindmiddel berusten. In elk geval echter verdienen deze afscheidingen van den dojer de grootste opmerkzaamheid, en van meer naauw-

(1) S. Meten, Pflmizenphjsiologie, II, 340, 344, IViegmann's Archiv, 1838, II, 22.

Sluiten