Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0111 de afgesprongene en van hare plaats gew.ekene beensplinters, wanneer zij nog slechts met het beenvlies in verband zijn en bloedvaten bevatten (1). Ilier kan alzoo het been weefsel op ongewone plaatsen ontstaan, niet alleen onafhankelijk van de wet, welke den vorm van het organisme oorspronkelijk bepaalt, maar tegen deze wet in. Daar de kraakbeencellen ook bij den volwassene zich door endogene voortplanting schijnen te vermeerderen, zou men het vermoeden kunnen opvatten, dat er in de cellen van de gebrokene uiteinden een zoodanig voortplantings-proces begon, en dat alzoo het been in het eisudaat als het ware ingroeide. Daardoor echter zou nog niet worden verklaard, waarom de nieuwe vorming en alzoo ook de van volkomen gevormde weefsels uitgaande invloed eene bepaalde grens heeft, waar buiten zij zich niet uitstrekt. Indien de beide gebrokene einden te ver van elkander liggen, dan wordt er toch slechts tot eenen zekeren afstand been gevormd , en vervolgens bindweefsel, hetwelk de gapingen tusschen de van beide stompen vooruit gedrongene massa beeneelt aanvult en tot valsche gewrichten aanleiding geeft. Bovendien vertoonen er zich soortgelijke verschijnselen ook in andere weefsels, waarin de jonge cellen nimmer in de oude ontstaan. Ook de zenuwen vormen, wanneer zij doorgesneden zijn, zenuwmassa van de uiteinden af aan, en genezen volkomen zonder likteeken, wanneer de nieuwe zenuw-zelfstandigheden elkander bereiken; bij eenen te grooten afstand verbindt een likteeken uit bindweefsel de doorgesnedene uiteinden. Het schijnt eene algemeene wet te zijn, dat de specifieke weefsels kleine hoeveelheden van uitgestort bloedwater of cytoblastema ter voortbrenging van gelijksoortige weefsels bezigen, terwijl grootere hoeveelheden bloedvocht in eenige heterogene zelfstandigheid meestal in bindweefsel overgaan of zelfs uitgestooten worden. Daarom hebben ligte en herhaalde bloedophoopingen eenvoudige hypertrophie, bijv. van de spieren, de opperhuid, sterkere congestie daarentegen ontaarding, verharding, ettering (2) ten gevolge.

(1) Miescher , De iiiflammat, ossium , p. 92, srjij.

(2) Verg-, mijne pathol. Uniersuch., S. 153.

Sluiten