Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERDERE ONTWIKKELING EN METAMORPIIOSE DER ELEMENTAIRE CELLEN.

Nadat wij in het voorafgaande het ontstaan der elementaire cellen hebben nagegaan, willen wij thans in algemeene trekken de veranderingen aantoonen, welke zij in het verder beloop van hare

I ontwikkeling ondergaan, en waarvan het eind-resultaat hare verandering in de bijzondere weefsels is. Wij stellen ons daarbij de metamorphose voor van het tijdstip af aan , waarop het blaasje om de kern voltooid is en in celvlies en inhoud duidelijk is gescheiden, maar wij moeten daarbij gelijktijdig opmerken, dat zij dikwijls reeds vroeger begint, wanneer de kern nog slechts door een klompje granuleuse zelfstandigheid wordt omgeven, en dat welligt in vele gevallen niet eens eene voltooijing van het celvlies tot stand komt.

In de voedingsvochlen en in vele weefsels blijven de cellen zelfstandig en afgescheiden, gemakkelijk herkenbaar, en veranderen slechts van vorm, inhoud en chemische gesteldheid. Weefsels van dezen aard zijn de opperhuid, eenige pigmentsoorten en het vet. De elementaire cellen zetten zich uit, nu eens gelijkmatig, dan weder in enkele afmetingen. Zij kunnen eene betrekkelijk aanmerkelijke grootte bereiken; zoo worden er b. v. onder de vetcellen enkele gevonden van 0,04—0,015'" doormeting, terwijl de

I jonge elementaire cellen, die de kern digt omgeven, naauwelijks eene doormeting van 0,004" bezitten. Een der meest gewone verschijnselen in het dieren- en plantenrijk is, dat de in omvang toenemende en digt bijeenliggende cellen zich tegen elkander afplatten; zij worden polygonaal (PI. I, fig. 7), de vlakke cellen dikwijls zeer regelmatig vijf- of zeshoekig (PI. I, fig. 12). Grijpt de uitzetting in de eene of andere rigting sterker plaats, dan ontstaan er de vreemdsoortigste vormen. Aan de cellen, welke op vlakten zijn uitgespreid, kan men twee hoofdvormen onderscheiden, naarmate zij zich in de rigting der oppervlakte uitzetten , waarbij de loodregte doormeting zich aanmerkelijk kan verkleinen, of in eene op de vlakte loodregte rigting groeijen. In het eerste geval ontstaan er plaatjes of schubjes, die in eene naauwelijks meetbare dikte eene aanmerkelijke breedte verkrijgen; in het tweede geval vormen er zich wigvormige, I. 14

Sluiten