Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene merkwaardige wijze zeer dikwijls tegen elkander aan (1), en wanneer de dunne celwanden, die zich tusschen beiden bevinden niet doorboord worden, dan kunnen zij aan fijne kanalen toch^ligt een zoo geringe afscheiding maken, dat deze aan het oog ontgaat.

Zoo de porenkanalen wezenlijk uit de eene cel in de andere doorloopen, dan bezitten wij hierin eenen overgangsvorm tot de volgende klasse.

2. In deze klasse oefenen de celholten vrij met elkander gemeenschap, nadat de aan elkander rakende plaatsen van elke twee celwanden ineengesmolten en de ineengesmoltene opgeslorpt en doorgebroken zijn. Naar de h'gging en gedaante der cellen onderscheiden wij de volgende vormen.

a. De cellen zijn over het algemeen in de lengte met elkander verbonden, en veranderen zich, terwijl de dwarswanden verdwijnen, in eene voortgaande buis. Dit geschiedt b. v. in de blinden-darmvormige klieren der maag (PI. V, fig. 16 en 17). Bij uitzondering liggen hier ook somtijds twee cellen naast elkander en loopen dan, door resorptie der naar elkander toegekeerde zijwanden, even zeer in een. Welligt behooren hiertoe ook de kanaaltjes der nieren en ballen, wanneer namelijk hunne structuurlooze membrana propriet een eenvoudig celvlies is. Volgens hetzelfde beginsel ontwikkelen zich de vormsels in de assen der zamengestelde bundels, de haren, zenuwen en spieren, welke wij later zullen beschrijven.

b. De cellen liggen in druifvormige groepen bijeen, en vergroeijen ook zoo, dat van elk slechts de helft of een nog kleiner gedeelte der oorspronkelijke blaas overblijft. De overblijfsels van vele cellen zitten dan rondom eene gemeenschappelijke holte, waarvan zij slechts meer of minder diepe uitzakkingen vormen (PI. Y, fig. 14). Zoo stel ik mij het ontstaan van de kwabjes der korrelige klieren voor, steeds in de vooronderstelling, dat de oorspronkelijke blazen, waarvan er een bij D nog vrij ligt, vergroote, elementaire cellen zijn. De lever maakt hierop eene uitzondering, daar hare kerncellen (PI. V, fig. IS) zich slechts zelden paarswijze schijnen te verbinden. Ook is het beter, om de levercellen niet zoo zeer

(1) Meïen , Pflanzcnpln/s. I, Taf. I, Fijj. 4—11

Sluiten