Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukking houden wij ons overigens voorloopig nog aan de voorstelling, alsof de cellen afgescheiden en weder zamengegroeid waren.

1. ])e plaatjes liggen vliesvormig uitgespreid, in eene eenvoudige laag naast elkander, en vormen na de ineensmelting zamenhangende, waterheldere vliezen. Dikwijls verdwijnende kernen, en dan zijn de vliezen geheel en al structuurloos, glasachtig, wanneer er geene vorming van fijne vezels in begint, waarover aanstonds uitvoeriger zal gesproken worden. Het plaveisel-epithelium der vaten gaat door dit proces in een glasachtig vlies over (PI. I, fig. 2). Waarschijnlijk vormen zich op dezelfde wijze de capsula lentis{ 1), het Demourssche en het dojervlies; de uitbreiding van cellen, welke als epithelium de uitbreiding der gezigts- en gehoorzenuwen bedekt, schijnt eveneens in een eenvoudig glasachtig vlies te veranderen; eindelijk reken ik hiertoe ook de buitenste scheede der zenuwbuisjes en der animale spierbundels.

2. De plaatjes voegen zich in de lengte aan elkander en vormen meer of minder platte vezels. De vezels, die op deze wijze ontstaan, bezitten tamelijk standvastig eene breedte van 0,U02—0,003'", derhalve de breedte der kleinste cel; hare dikte is somtijds naauwelijks meetbaar en bedraagt nooit meer dan een vierde der breedte. Vezels van deze soort worden in het weefsel van het hoornvlies, de kristallens, het bindweefsel, en het spiervlies der vaten en ingewanden, den nerv. sympathicus, in het tandivoor en glazuursel, alsmede in de bastzelfstandigheid van het haar gevonden (PI. II, fig. 1, 5, PI. IV, fig. 2,6, PI. V, fig. 11).

Ik zeide zoo even, dat er in de vliezen, die uit ineengesmoltene plaatjes bestaan, fijne vezels zigtbaar zijn; hetzelfde verschijnsel vertoont zich in de uit plaatjes gevormde vezels, zoodat elk derzelve in een zeker aantal fijne fibrillen kan vervallen. Deze fibrillen, van 0,0üü4—0,0008'" doormeting liggen bij de vliezen wel is waar tamelijk in dezefde rigting, maar dikwijls afgebroken, dikwijls gaffelvormig verdeeld en onderling vertakt (PI. III, fig. 11); zij ontstaan niet uit cellen of kernen, maar, zoo als het schijnt, onmiddellijk uit nedergezette en zich aaneenvoegende

(1) Zoo als ook Vaientin aanneemt, zie R. Wagner's Physiol. I. 136.

Sluiten