Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschencelstof beschouwd werd. Nu eerst begint somtijds de resorptie der kernen, en wel op die wijze, dat zij in eene reeks van puntjes verdeeld worden, die steeds bleeker en kleiner Morden (PI. II, fig. 1 ,bb, PI. III, fig. 14, a, PI. IV, fig. 2, E, d). Men vindt zoodanige reeksen van puntjes in alle vezelige weefsels, en, zoo als van zelf spreekt, in des te grootere hoeveelheid, hoe minder kernen er zich verder ontwikkelen, het talrijkst in de cornea en in de organische spieren. In het tegenovergestelde geval gaan de verlengde kernen allengs verbindingen met elkander aan door draden, die zij elkander te gemoet zenden, en die, aanvankelijk lijn en bleek, allengs de sterkte en vastheid der donkere ligchaampjes verkrijgen, waarvan zij uitgaan. De verdere ontwikkeling deikernen tot vezels en de ligging dezer vezels nemen allen twijfel weg, dat hier overal de kernen slechts uitwendig op de cellen liggen ; inderdaad kunnen zij somtijds in vroegeren tijd zonder vernietiging der cellen door verdund azijnzuur van haar losgemaakt worden, en zwemmen dan vrij in het rond.

W ij kunnen twee verschillende typen van kernvezels onderscheiden ; met dezen laatsten naam duid ik namelijk de vezels aan, die haar ontstaan aan de ineensmelting van verlengde kernen te danken hebben, en ik wil in het vervolg met den naam van celvezels de uil cellen gevormde vezels of de bundels van fibrillen bestempelen, waarin de celvezels zich splitsen. Zoo deze splitsing heeft plaats gegrepen, dan behoort er bij eiken bundel van fibrillen eene kernvezel. De kernvezels zijn steeds veel fijner dan de celvezels; zij hebben dikwijls eene doormeting, welke met die van de fibrillen der celvezels overeenkomt. Het verschil der beide typen van kernvezelen berust op de oorspronkelijke ligging der kernen, naarmate zij op de vlakte der platte kernvezels of aan haren rand liggen, en de ligging der kernen rigt zich weder naar den vorm der celvezels. Zeer afgeplatte kernvezels hebben de kernen op de oppervlakte; celvezels, die tot den cylindrischen vorm naderen, hebben ze aan de randen. Tot de laatste soort behooren de bindweefsel vezels, de vezels van het hoornvlies en van het tandivoor.

Wanneer nu de kernen zich aan de randen der celvezels bevinden, dan liggen zij óf achter elkander aan dezelfde zijde, óf afwisselend aan de ééne en andere zijde. In het eerste geval ra-

I 15

Sluiten