Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kanten, in vezelen verlengen (1). Welligt ontwikkelen zich uit deze cellen de zoo even beschrevene vezels, daar ik, ten minste volgens mijne waarneming, niet kan aannemen , dat zij het begin der eigenlijke bindweefselbundels zijn. Overigens is er nog een derde geval mogelijk, waarvan wij melding moeten maken. De vezels kunnen zich noch uit kernen, noch uit cellen ontwikkelen, maar daarentegen secundaire depositiën zijn, zoo als ik vroeger aan het binnenste vaatvlies beschreven heb , en aanstonds uit de tusschencelstof zal worden opgegeven.

Eene zwarigheid, die ik voor het oogenblik nog niet kan oplossen , is daarin gelegen, dat cr , met name in het bindweefsel, grootere bundels gevonden worden, die door spiraalvezels zijn omwikkeld en zelve weder uit bundels zamengesteld, die spiraalvormige of regte kernvezels bezitten (PI. II, lig. 6); óf de buitenste spiraalvezel óf de binnenste zijn secundaire vormsels; óf de buitenste spiraalvezel (dd) is eene echte kernvezel, en dan moeten er zich binnen in eene celvezel nieuwe cellen en kernen later ontwikkeld hebben; óf de vezel, die eene massa van priinitive celvezels omvat, is later ontstaan, en dan zullen er ook uit kernen spiraalvczels ontstaan, welker cellen niet tot vezels ineensmelten.

Voor het gemak der uitdrukking heb ik, zoo als bovengezegd is, de beschouwing lot nog toe zoo gelaten, alsof de platte celvezels en vliezen uit afzonderlijke cellen zamengegroeid waren. Thans, nadat de mctamorphosen der cellen en kernen afgehandeld zijn, zal zich het proces harer ontwikkeling gemakkelijk op eene andere wijze laten beschrijven, die, voor vele gevallen ten minste, met de natuur meer schijnt overeen te koinen.

De hiertoe behoorende weefsels bestaan nagenoeg alle uit vliesachtige lagen, die zich bij opvolging op elkander schijnen neder te zetten, zoo als zich b.v. aan de vaten het spiervlies blijkbaar op die wijze verdikt, dat laag op laag nieuw gevormd wordt. Elke laag is aanvankelijk eene slructuurlooze depositie van cytoblaslema; daarin vormen zich kernen. Scheidt men deze met geweld van elkander, dan blijft er aan vele een overtreksel over van eene onregelmatige, weeke, geleiachtige massa, die echter geene cel is. Daaruit kan

(1) Mikroskop. Unlers. Taf. III, Fig. 6, 8.,

Sluiten