Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3clie, dan weder in die van ovale ligchamen, dikwijls door draden, die veelal T misschien altijd, de randen der platte cellen zijn, die slechts de lengtedoormeting naar het gezigt toekeeren." Wanneer ik deze eenigzins moeijelijke stelling goed versta, dan meent hij, dat de opzwellingen door kernen en de verbindingen tusschen haar door deelen der platte cellen gevormd worden, die slechts daardoor als draden voorkomen, dat zij de kanten naar boven keeren. Voor deze uitlegging spreekt eene latere plaats, bladz. 115, waar gezegd wordt: indien zich ons boven uitgesproken vermoeden door waarneming bevestigde, dat het dradig aaneengeregen opithelium der vliezen, de celkernen zijn , enz." Lij een toevallig onderzoek van het spiervlies der maag in het embryo (bl. 147, Noot) zag Pappekiieim gelijkmatige, 0,001/' breede vezels, en van plaats tot plaats ovale ligchamen, die aan beide einden uitgetrokken waren, voorts plat, niet zelden met een in het oog loopend donker ligchaampje, somtijds nog van vele punten (Punhtmasse) voorzien en onoplosbaar in azijnzuur. Hij erkent hunne identiteit met het groote, kernvormige ligchaampje der willekeurige spiervezels en houdt ze voor kernen der cellen, waaruit de scheeden der primitive bundels ontstaan zijn. Iloe hij echter na al het voorafgegane het zoo even beschrevene maaksel voor een karakteristiek eigendom der organische spiervezels verklaren kan , is moeijclijk te begrijpen. Eene beschouwing, die aan de mijne zeer nabij komt, is op bladz. 165 uitgesproken. »Het dradig aaneengeregen epithelium bestaat niet, zoo als men tot nog toe aannam, uit de bij den verderen groei verdwijnende, maar uit de overgeblevene met nucleoli voorziene nuclei, welker cellen bij de wisseling des ouderdoms een verschillend lot ondergaan." Daarentegen staat weder op bladz. 131 te lezen: het celweefsel van het slijmvlies der maag is met eene groote hoeveelheid van dradig aaneengeregen epithelium voorzien, d. i. met cellen, welke zich in buisachtige, dikwijls platte draden verlengen , met nucleus en nucleolus, en eindelijk ter verklaring van fig. lf 15, 16, draadvormig epithelium: de kernen zitten, volgens latere waarnemingen , slechts op de platte draden.

pürklnje en RosentïïAL's formatio granulosa (de formatiojie granulosa, 1839) zijn ovale en ook toegespitste korreltjes, die met behulp van azijnzuur in de spieren, zenuwen, vaten, in de vliezen en in het bindweefsel gevonden worden. Verbindende draden tusschen de korreltjes schenen wel is waar hier en daar voor te komen, doch zij zijn niet overal aanwezig (bladz. 4). De korreltjes bezitten steeds kernen, en wel de langwerpige 2—3, de ronde en ovale een grooter of kleiner (kernligchaampje.) Rosenthal erkent de identiteit der formulio granulosa met Valentin's dradig aaneengeregen epithelium, doch gelooft, dat hij den laatsten naam moet verwerpen, daar de epitheliën altijd slechts aan de oppervlakte van vliezen liggen en uit digt aaneengeschakelde cellen bestaan, hetgeen bij de formatio granulosa niet het geval is (bladz. 25). Aan het slot maakt hij de formatio granulosa met de elementaire cellen van Scdwann identisch; hij ziet in haar een bewijs, dat de regeneratie der weefsels, in volwassenen, volgens dezelfde wetten plaats heeft, als de eerste vorming in het embryo. De korreltjes, die aanvankelijk rond waren, werden elliptisch, vervolgens steeds langer en dunner, en ingen eindelijk in de eigenaardige zelfstandigheid der weefsels over.

Mijne onderzoekingen omtrent dit onderwerp zijn in den winter van het jaar

Sluiten