Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschencelstof.

Er zijn weefsels, waarin de cellen en vezels digt opeen liggen en zelfs met tanden in elkander ratten, zoodat er op het eerste gezigt geen spoor Tan eenig bindmiddel wordt waargenomen. Dat er echter desniettemin eene zoodanige stof aanwezig zij, liet zich wel vermoeden en ook werkelijk bewijzen. Vele zelfstandigheden lossen namelijk het bindmiddel op, zonder de cellen aan te tasten, of zij werken toch Teel langzamer op de laatste in. Deze scheiden zich alsdan van zel\re of door eenig geweld af. Als Toorbeeld kan men de schubjes en Tezels der zoogenaamde hoornweefsels aanroeren , die door zwavelzuur terstond van elkander worden losgemaakt. Maceratie en koking in water doet bij de weeke weefsels dezelfde diensten, en lost de klevende stof op, welke de bundels en vezels, dikwijls met eene bewonderingswaardige vastheid, bijeenhoudt. Het is eene nog zeer algemeen verspreide, maar verkeerde meening, dat de elementaire bundels van eene of verschillende weefsels, zoo als de spieren onderling of de spieren en pezen, door bindweefsel worden bijeen gehouden, want 1° vallen de bundels, die in eene gemeenschappelijke scheede van bindweefsel ingesloten zijn, zelfs wanneer men de scheede verwijdert, niet uit een, en 2° kunnen de bindweefselbundels, ten gevolge van hunne rangschikking, dikwijls onmogelijk aan het doel beantwoorden, dat men hun toekent.

Het bindmiddel is tusschencelstof, die in de genoemde gevallen slechts in eene kleine hoeveelheid aanwezig is. Zij kan afzonderlijk worden gevormd, wanneer de cellen of vezels verder uiteengeweken zijn en grootere openingen tusschen zich overlaten. Zij komt óf in vloeibaren toestand óf vast voor, want inderdaad is ook het vloeibare voermiddel van cellen, derhalve het bloedvocht, de vloeistof der lymphe enz., niets anders dan tusschencelstof; de grens tusschen vochten en weefsels is, zoo als Dutrochet reeds aanmerkte, niet streng af te bakenen, en de vloeibare tusschencelstof in het bloed kan door stremming elk oogenblik vast worden; ook vinden wij de vaste tusschencelstof in zeer verschillende graden van hardheid. In een mikroskopisch opzigt beschouwd, komt zij onder de volgende vormen voor.

1. Waterhelder, glasachtig, in de echte kraakbeenderen (PI. V,

Sluiten