Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich in ligcliamen veranderen, die met eenen ring omgeven zijn; dat uit dezen gezwollen ring liet fundamentele gedeelte der meeste weefsels ontstaat, daar de ringen zich óf met elkander tot primitiefdraden vereenigen, óf zich in eene gelijkvormige, korrelige massa veranderen, en dat deze weefsels eindelijk weder in moleculaire kogeltjes ontleed worden; en ten slotte zag hij, dat de vormingskogeltjes zich, op de oppervlakte van het ligchaam en op de vrije oppervlakte van inwendige werktuigen, tot platte ligchamen, de polygonale plaatjes van de epidermis en het epithelium veranderen.

Even als de scheikundige bestanddeelen onderscheidt A. de morphologische in verwijderde (vormelementen), nadere en naaste. De eerst genoemden zijn in het menschelijk ligchaam in alle deelen tamelijk gelijkvormig, de nadere en naaste loopen zeer uiteen. Als vormelementen onderscheidt hij 1. vor mi n gsstof of kiemstof, 2. elementaire korreltjes, 3. vetdroppeltjes, 4. pigment korrel tj es, 5. aardkorreltj es, G. kristallen.

a. De vorm in gsstof, voor ontwikkeling vathare stof of kiemstof, blastema, zoöcambium (Herm. IIorn) is eene gelijkvormige, doorschijnende stof, van eene weeke of vloeibare consistentie. Voor elk weeksel neemt A. eene bijzondere kiemstof aan. (Schwann's cytoblastema.)

b. De elementaire korreltj es , glohuli elementares, zijn ronde, ovale, platronde of elliptische ligchaampjes, zonder zamengestelde textuur en van een zeer eenvoudig maaksel. Zij komen in alle vloeistoffen en in nagenoeg alle vaste deelen voor. Zij liggen somtijds tusschen de meer ontwikkelde bestanddeelen afzonderlijk of in massa bijeen, voor een gedeelte reeds in rijen gerangschikt, waaruit draden ontstaan, zoo als b.v. in de celstof, in de sereuse vliezen, in de spieren. In het slijm en lidvocht doen zij zich gekorreld voor, alsof zij in verscheidene kleinere korreltjes konden worden ontleed. Hunne grootte is zeer verschillend, vanJ/ioooen 1/1500 P. lijn tot 1laoo—Vsoo en 'ƒ300 P- lijn. De elementaire korreltjes of moleculaire ligchaampjes zijn de eerste vormelementen der dierlijke weefelvormen; zij zijn in den dojer en de chyl, in de plastische lymphe enz. de oorspronkelijkste en wezenlijkste vormbestanddeelen. Zij maken, doordien zij elkander wederkeerig aantrekken, de voorwaarde voor de vorming der kogelachtige ligchamen uit, die daarna verdere veranderingen ondergaan. Even als zij echter de oorspronkelijke beginselen der ontwikkelingsprocessen uitmaken, evenzoo zijn zij ook de laatste vormen, waarin de organische stof ten onder gaat; alle fundamentele vormsels worden weder in moleculaire korreltjes ontleed, die vloeibaar worden en weder in de vochten des ligchaams terugkeercn. Zij vertoonen in den dojer, vooral na de bevruchting, in de chyl, na haren doorgang door de darmscheilklieren, moleculaire be\vegingcn, die in eene wederkeerige aantrekking en afstooting der kogeltjes bestaan. Dit is volgens A. niet bet gevolg van eene zelfstandige kracht der korrels, maar dat van eene van bet organisme uitgaande werking.,Eenigen tijd na den dood vertoont zij zich niet meer, en onderscheidt zich daardoor wezenlijk vanBROWN's moleculaire beweging, die een zuiver physisch verschijnsel is en door verdamping van vloeistoffen op de oppervlakte veroorzaakt wordt. De elementaire korreltjes van A. komen overeen met hetgeen de aanhangers der celtheorie als kernen beschouwen, om welke zich primitiefcellen vormen; de grootere daarentegen werden als oorspron-

Sluiten