Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nij er als een kransje uitziet. De discoïden veranderen op die wijze van gedaante, dat de oude kern door vormlooze stof doordrongen -wordt of ze in zich opneemt, dat deze de stof voor eene nieuwe vorming afgeeft, welke in den vorm van een kogeltje in de oude kern, die als een ring om hetzelve geplaatst is, voorkomt, en dat de oude in enkel moleculaire ligcliaampjes ontleed wordt, of zich welligt ook allengs oplost. Een soortgelijk proces grijpt zonder twijfel ook in de weefsels bij de verandering der elementaire deeltjes plaats.

d. Polymorphe ligcliamen. In het vliesachtig slijm, in de epidermis, de epitheliën, in de haren en nagels gaat de kogel door de ellipsoïde (zonder eerst in eene schijf veranderd te worden) in de cvlindrische, spil- en kegelvormige gedaante over, of zij neemt eenen polyëdrischen of zeer onregelmatigen vorm aan. Deze vormen worden gedeeltelijk door de kleine cylindrische en kegelvormige ruimten bepaald, waarin de ligchaampjes zich ontwikkelen, gedeeltelijk"door de"wederkeerige drukking, die zij op elkander uitoefenen. Somtijds vertoonen zij ook in verscheidene rigtingen verschillende vormen van verlengsels of strooken. De bast van den kogel neemt een grooter deel aan deze gedaanteveranderingen, dan de kern; de laatste blijft rond of ovaal, wanneer de bast zich zelfs tot eenen kegel of cylinder vervormt, en zij neemt slechts bij uitzondering eenen vorm aan, die met het geheele ligchaampje in overeenstemming is. De kern is ligt gekorreld, of ook duidelijk; somtijds met eenen opgezwollen ring omgeven; somtijds is zij geheel verdwenen. De polymorphe ligchamen bezitten volstrekt geene holte. Zij laten zich onder twee hoofdvormen groeperen: plaatjes en kegelvormige ligchaampjes. Scherp zijn zij met van elkander gescheiden, daar er zich op de slijmvliezen overgangsvormen, ellipsoïden, vertoonen, die met hare langste doormeting loodregt op het i- | slijmvlies staan.

De plaatjes, lamellulae, zijn aan twee zijden zamengedrukte, polygonale of onregelmatige ligchamen met of zonder kern. Zij komen in het ependyma der sereuse vliezen, het algemeene vaatvlies, de slijmvliezen der trommelholte en der naauwere klierbuizen, in de epidermis en de epitheliën voor. Die der sereuse en slijmvliezen noemt Arnold musiefplaatjes, lamellulae musivae, wegens hunne overeenkomst met mosaïk. Een wezenlijk verschil daarvan toonen de plaatjes aan, die inde epidermis en de ware epitheliën voorkomen, en door Arhoid hoornplaatjes, lamellulae corneae s. tnlulatae, genoemd worden. De musiefplaatjes zijn in azijnzuur oplosbaar, de hoornplaatjes niet. De laatste komen ook in den slokdarm tot aan de cardia voor, waar zij plotseling verdwijnen. Beide vormen het plaveisel- of plaatvormig epithelium der celtheoristen.

De kegelvormige ligchamen, conoïden, zijn langwerpige, gewoonlijk aan het einde toegespitste, kegel-, kelk-, peer-, piramide- of spilvormige, zelden cylindrische deeltjes. Hun puntig uiteinde is naar het slijmvlies gekeerd, het stompe uiteinde vormt de vrije oppervlakte der huidlaag, is plat of bol, en in den omtrek nu eens rond, dan weder hoekig , enz. Zij komen voor op het slijmvlies van het darmkanaal van de cardia tot aan den anus, in de grootere uitlozingsbuizen der klieren en op het slijmvlies der mannelijke voortplantings-werktuigen. Zij vormen zich uit de slijmkogeltjes in de conische tusschenruimten, welke in het slijmvlies en zijne kleine klierblaasjes gevonden worden.

Sluiten