Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijft bestaan, of het wordt boomachtig, of het verdikt zich laagsgewijs en smelt met de omliggende deelen ineen, enz. De oorspronkelijk meestal ronde cellen kunnen de verschillendste vormen aannemen; zij worden hoekig, polygonaal enz. Bij het voortgaande verhoorningsproces worden zij plaatvormig. Ook de inhoud der cel verandert zijnen vorm en zijne dikte.

Als kern beschouwt Valentin het van den overigen inhoud der cel onderscheiden, geïndividualiseerd vormsel, dat door eene cel ingesloten wordt of kan worden. Zij is vast, of met korreltjes gevuld, of bevat kernligchaampjes, die in organische zuren onoplosbaar zijn. Nu eens ligt zij in het midden, dan weder excentrisch, vrij of aangegroeid, enz. Nu eens vormt zij door hare dikte eene uitpuiling, dan weder komt zij allengs digter bij de oppervlakte. Maar nagenoeg algemeen is de wet geldend, dat haar bestaan, waar zij niet regtstreeks aan de vermeerdering der cellen deelneemt, door de voortgaande metamorphose inbreuk lijdt. Zij wisselt van vastheid tot eene eenvoudige holte af, zoodat zij den vorm van bloedligchaainpjes verkrijgen kan, v/aarbij zij eene platte, in het midden met een donker deel voorziene schijf vormt. Er zijn ook heldere kernen. De vorm, die het meeste voorkomt, is de granuleuse; hij gaat in de langwerpige, streep-, spilvormige enz. over.

De kernvorming bepaalt er zich niet toe, om slechts eenigen tijd werkzaam te zijn, allengs aan stof te verliezen, daarop in dezen toestand te blijven, en eindelijk te verdwijnen, maar zij draagt ook wezenlijk bij tot de vermeerdering der -weefselelementen, en wel ontstaan er; 1. Cellen in cellen, endogene cel vorming. De nucleus kan in eene moedercel ingesloten, eene of meerdere nieuwe cellen met kernen voortbrengen, of ook slechts holle, ledige ruimten. 2. Enkele (misschien jongere) kernvormsels vertoonen reeds in verschcn toestand vormen, welke op eene verdeeling heenwijzen. In het omhullingsweefsel der hartboezems van den kikyorsch komen enkele dubbelbrood-vormige en ingesnedene kernen voor, enz. 3. Ineensmelting van kernen tot vezels, bij de vezels in het omhullingsweefsel waargenomen. Valiktin verdeelt deze vormsels (zoo als hij t. a. p. belooft, in zijn Repert. VII, S. 321) in drie klassen: «. de vorm van kernvezels, die in het sarcolemma en neurolemma voorkomt, waar deze vormsels met andere gelijkvormige, membraneuse omhullingsdeelen verbonden zijn, b. die, welke in het celweefsel voorkomt, waar de op zichzelve meer geelachtige omhullingsvezels zuiverder voorkomen, van elastische vezels dikwijls niet kunnen worden onderscheiden en talrijke ligchaampjes naast zich aanbieden, die eveneens aan het azijnzuur wederstand bieden, c. waar zich vezelnetten tegen membraneuse vormsels aanleggen, zoo als in het middelste vlies der slagaders.

De kernligchaampjes kunnen primair en secundair voorkomen. Van de wetten voor hun bestaan is niets met zekerheid bekend.

Behalve het cytoblastema, de cellen en kernen en hunne metamorphosen, komen er nog andere elementaire deeltjes als vrije, of met een fijn vlies ompevene, vloeibare en vaste ligchaampjes voor, die óf als een deel van het cytoblastema, óf als inhoud van cellen , Cf als product der afscheiding kunnen worden aangemerkt.

Hoogst waarschijnlijk, zegt Valentin, laten zich alle weefseldeelen tot de genoemde typen terugbrengen. Het is echter ook mogelijk, dat enkele elementen,

Sluiten