Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b.v. de fijne, aan een doorschijnend vlies zich aanleggende veie!ige nellen van de laag van cirkelvormige vezels der slagaderen, zich zonder tussclienkomst van cellen en kernen vormen.

A. KüLLIKi K (Entwickelungsrjescliichte der Cephalopodeti, 1 S i 1) het voringsproces bij de cephalopoden-eijeren nagaande, kwam tot het besluit, dat de voringskogeltjes, die door de voortgaande splijting van den dojer gevormd worden, liet ligchaam van het embryo zamenstellen, en eindelijk regtstreeks in de weefsels van het embryo overgaan; dat het voringsproces zelf echter van de vermeerdering van een vormsel afhankelijk is, dat met eene celkern op cene lijn gesteld moet worden: dat eindelijk de vermeerdering dezer kernen waarschijnlijk door endogene vorming en om een kogeltje of blaasje plaatsgrijpt, dat aan het kernligchaampje verwant is. Hij noemt de kerncellen der vorige schrijvers «secundaire cellen," de kern primaire cel (bij het embryo Embryonalzelle) en liet kernligchaampje cel. Wij zullen ons hier, om verwarring voor te komen, van de algemeen aangenomen namen bedienen.

De vorming van voren bepaalt zich bij de sepiën, even als bij de visschen, tot een klein gedeelte van den dojer, dat zich eerst in den vorm van een heuveltje vertoont, vervolgens in 2, 4, 8 segmenten verdeelt, welke zich later van den dojer afscheiden en den kogelvorm aannemen, terwijl zich in zijnen buitensten omtrek nieuwe segmenten vormen en weder als kogels afscheiden. Alle op deze wijze gevormde segmenten bevatten aan de punt en elke kogel binnen in zich een kernachtig blaasje (Embryonalzelle K.), dat rond, geheel en al doorschijnend en teeder is, met een en waterhelderen en, zoo als het schijnt, vloeibaren inhoud; in het blaasje ligt gewoonlijk eene zeer kleine, donkere, ronde vlek (kernligchaampje), die excentrisch geplaatst is of niet. Vóór de vorming van voren bestaat de dojer uit eigenaardige, bleeke, licht geelachtige, ronde of rondachtig hoekige korreltjes (dojerkorreltjes) van 0,003—0,009 " doormeting en enkele elementaire korreltjes; nadat de ontwikkeling begonnen is, zijn de elementaire korreltjes aan het gedeelte van den dojer, dat van voren bevrijd is gebleven, verdwenen; de dojerkorreltjes echter van eene meer standvastige doormeting, de kogels en segmenten, zijn uit niets anders dan zeer kleine elementaire korreltjes gevormd', die in den omtrek der kern in grootcn getale worden gevonden, en op de oppervlakte der segmenten en kogels digt bijeen geplaatst en scherp begrensd zijn, zonder echter door een bijzonder omhullend vlies bijeen te worden gehouden. Van den beginne af aan nemen de kogels in grootte af: de grootste waren van 0,096"', de kleinste van 0,009—0,012'"; daar tusschen bevonden zich slechts grootten van 0,048 en 0,024 " of daaromtrent. Er kwamen geene kogels van al deze grootten in ééne kern voor; gewoonlijk werden er slechts van twee, zeldzamer van drie grootten gevonden; de kleinere waren inliet centrum, de grootere aan den omtrek geplaatst. Dat de kogeltjes door verdeeling in aantal toenemen, wordt hieruit tamelijk zeker gemaakt. De kernen namen eveneens in omvang af, van 0,018 op 0,008'"; meestal werden er twee in eenen enkelen voringskogel gevonden. Uit analogie met de ontwikkeling der ascariden, welke K. vroeger heeft nagegaan (MiillER'S Archiv, 1843, I,p. G8) neemt hij aan, dat er in ééne kern telkens twee nieuwe ontstaan, welke door oplossing der moederkern vrij

Sluiten