Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel en al aanvulden. De kernligchaampjes zijn insgelijks nu eens duidelijk, dan weder onzigtbaar. In eenigzins oudere kiemen van kikvorsclien zijn zij nagenoeg overal gemakkelijk te zien als ronde, donkere ligchamen van 0,001—0,002' zelfs 0,0025"' grootte. Bij kiemen van hagedissen bezitten zij in de cellen der opperhuid eene grootte van 0,0035'". Wanneer er slechts één kernligchaampje aanwezig is, dan ligt het nagenoeg zonder uitzondering tegen den binnenwand der kern aan; zijn er daarentegen, hetgeen dikwijls gebeurt, twee aanwezig, dan liggen zij nu eens beide of slechts één in het centrum der kern, dan weder zijn zij aan hare wanden vastgehecht. Drie nucleoli zag K. hoogst zeldzaam, en nooit zag hij er vier. Zij zijn niet allen rond, en er komt nagenoeg overal een zeker aantal van eironde en spil- of biscuit-voTmige voor. Bij het genoemde hagedisembryo bezaten de kernen der enkele cellen, die met slechts ééne kern voorzien waren, eene elliptische gedaante, en gewoonlijk 2 ronde bijeenliggende, of éénen langwerpigen, in het midden ook wel ingesnoerden nucleolus, terwijl in de dubbele kernen slechts bij uitzondering 2 kernligchaampjes lagen.

De vorming van voren in den dojer is thans reeds bij dieren van nagenoeg alle klassen waargenomen. Külliker heeft ze eindelijk nog bij eene hagedis en ergasilus gil/bus, E. Grcbe bij clepsine complanata (Köningsb. Naturwissenschaftliclie Unterhalt. 1, p. 137) en H. Meckel bij den regenworm (Mülier's Archiv, liiil, p. 482) waargenomen. Kernen der voringskogeltjes, even als bij sepia, beschreven reeds vroeger v. Sjeboid en Bagge, Vogt, Bergmann, Bischoef en Köuiker zelf aan de eijeren van ongewervelde en gewervelde dieren (Henie in CAHSTATT'S Jalirb. 1844, I, 6); kortelings ontdekte Grcbe ze in de eijeren van clepsine, en Kölliker in de eijeren van helix pomatia, waarin zij door een gekorreld, uit 4—8 korreltjes zamengesteld kernligchaampje eigenaardig gekenmerkt waren, dat in water vaneenviel. Bij den kikvorsch vond hij ••ze standvastig in alle voringskogeltjes; zeldzaam vond hij er twee; nu en dan twee kernligchaampjes in ééne kern, en éénmaal 2 voltooide kernen met kernligchaampjes en inhoud in ééne moederkern.

Daar hij noch bij sepia en loligo, noch bij andere ongewervelde dieren ooit eene nieuwe vorming van cellen waarnam, en ook bij den kikvorsch lot aan de verschijning van het embryo nooit iets anders dan voringskogeltjes, eerst grootere en daarna kleinere zag, verklaart K. zich voor het gevoelen van Beichert, BiscnOFF en Bergmann, die meer of minder bepaald den regtstreekschen overgang der voringskogeltjes in celkernen vaststellen, terwijl hij zich tegen dat van Vogt verklaart, die de cel vorming in het bevruchte ei van alytes obstetricans onafhankelijk van de voringskogeltjes laat plaats grijpen.

Terwijl intusschcn de vermeerdering der voringskogeltjes door verdeeling gemakkelijk als een positief feit is vast te stellen, laat zich, zoo als zich ligt laat begrijpen, het negatieve gevoelen, dat er daarbij geene onaf hankelijko cel vorming in het ei voorkomt, moeijelijk volhouden. Zelfs bij de sepiën is het Kölliker niet duidelijk geworden, hoe de buitenste omtrek der kiemplaats na het ophouden der tegmentvorming groeit, en hij houdt het slechts uit analogie met vroegere tijdperken voor waarschijnlijk, dat de kiem na het ophouden der segmentvorming in omvang toeneemt, doordien de kogeltjes der buitenste en misschien ook meerdere rijen, vóór dat zij zich verdcelen, in grootte toenemen (door assimilatie van den

Sluiten