Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dojer), en Jat er 200 uitbreiding der kogels zonder te groote verkleining derzei ve mogelijk wordt.

Niet minder bedenkelijk komt bet IIenle (t. a. p. pag. 7) voor, om de endogene vermeerdering der kernen, die aan de dojerverdeeling voorafgaat, als de algemeene en alleen mogelijke wijze der kernvorming vast te stellen, nadat de insluiting van 2 kernen in ééne moederkern nog zoo zeldzaam is waargenomen. Hij twijfelt er aan, dat bet door Külliker ontdekte beginsel der cellenvermeerderinn-, bij het embryo door verdere waarnemingen eene algemeene geldigheid zal verkrijgen, terwijl Köuiker zich door deze nog niet genoegzaam bewezene wet en een aantal van afzonderlijke en groolendeels onzekere waarnemingen aan volwassenen laat verleiden om aan te nemen, dat er in het geheel geene oorspronkelijke en vrije celvorming in het cytoblastema plaats grijpt; dat veeleer, even als alle cellen van het embryo nakomelingen van den eersten voringskogel zijn, zoo ook alle cellen in de weefsels van volwassenen regtstreeks nakomelingen van de kerncellen van het embryo zijn, die door voortgezette endogene ontwikkeling zijn ontstaan.

Wanneer Henle van de feilen en veronderstellingen, die K. ter bevestiging zijner theorie aanhaalt, eerst het groote aantal aftrekt, die in het gunstigste geval slechts voor de ontwikkeling der weefsels uit cellen en kernen pleiten, dan blijven er slechts enkele daadzaken over, als: lc. de endogene cel vorming in de kraakbeenderen; 2°. het voorkomen van twee kernen in de gangliën-kogeltjes, die zelve somtijds in een proces van verdeeling worden gevonden; 3°. de mogelijkheid, dat er zich bij de klieren, die door ineensmelting van cellen ontstaan, in de cellen, die nog niet met den klierwand verbonden zijn, geslachten van jonge cellen vormen , waarvan de binnenste, na de oplossing der moedercellen, door ineensmelting met de reeds gevormde, vrije kliercellen worden, terwijl de buitenste als cellen blijven bestaan en zich terstond weder tot moedercellen ontwikkelen. Dit is echter slechts eene mogelijkheid. 4°. De waarnemingen van Uenle omtrent het menigvuldig voorkomen van twee kernen in ééne levercel en van levercellen, wier holten met elkander gemeenschap oefenen. Met hetzelfde regt hebben echter anderen daaruit tot de ineensmelting der levercellen besloten. 5°. De beschouwing van de lymphe-, chijl-, bloed- en klierligchaampjes als endogene cellen. Dit kan echter slechts geschieden, als men liet lumen van het begin der water- en chijlvaten, waarin zij zich vormen, en van de haarvaten en klierkanalen voor de holten van ineengesmoltene cellen aanziet. 6°. Voor de endogene vermeerdering der epitheliumcellen voert K. de door Vaientln en Sciiwann en eens door hem zelf waargenomene cellen met 2 kernen aan, voorts de enkele waarneming van ScnwANN eener volmaakte cel, die in eene epithelii.im-cel was ingesloten, eindelijk Henle's ontdekking van de splijtbaarheid der kernen, Broch heeft (UntersucJiungen sur Kenntniss des hörnigen Pigments etc. S. 51) epithelium-cellen uit de snuit van eene kalfsvrucht afgebeeld met een ingesloten blaasje zonder kernligchaampje; maar hij wil niet bepalen, of de ingeslotene blaasjes jonge cellen, dan wel ver. groote kernen geweest zijn. IUnnover merkte in het epithelium van het onderste ooglid van den kikvorsch, hoewel zeldzaam, eene epilhelium-ccl op, die eene kleinere insloot. IIenle voert daarbij nog een feit van eigene ondervinding aan , dat volgens

Sluiten