Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontoereikendheid onzer werktuigen niet laat uitvorschen. Desniettemin kon hij meermalen waarnemen, dat in zeer kleine kernligchaampjes één tot drie en zelfs meer secundaire kernligchaampjes ingesloten waren, en hij hoopt op linzen, welke deze ontdekking verder zullen kunnen doen vervolgen. Dit zal dan ooknoodigzijn, om zijne theorie (t. a. p. I. 61) te bevestigen, volgens welke het etterligchaampje niet door de verbinding van elementaire korreltjes, maar door het groeijen der enkele korreltjes zou ontstaan, die van den beginne af aan uit cel, kern en kern-ligchaampje zouden zijn zamengesteld.

Koiliker (Schleiden's ü. Naegelj's Zeitsclir. ƒ. wissensvhaftl. Botanik. 1845, Ileft II) verdeelt de zoogenaamde elementaire korreltjes in vaste (eigenlijke elementaire korreltjes) en in holle, blaasvormige (elementaire blaasjes); tot do eerste brengt hij de vloeibare en vaste vetkorrels, b.v. van den dojer van vele lagere dieren, tot de laatste de melkkogeltjes en de door Rathke zoogenaamde dojerblaasjes in de eijeren der schaaldieren en spinnen. Onder den naam van «blaasjes met groei zonder vermeerdering" scheidt bij van de cellen en daarbij behoorende weefsels de dojerblaasjes af, namelijk de door Scdwansi beschrevene kogeltjes der eigenlijke dojerzelfstandigheid en der dojerholte, blaasjes uit een teeder vlies en eenen vloeibaren, eiwitachtigen inhoud bestaande met eenen grooten, aan den wand geplaatsten of verscheidene grootere en kleinere vetdroppels. K. houdt het voor waarschijnlijk, dat zij zich om eenen vetdroppel vormen, vervolgens groeijen en zich naderhand nog met vetdroppels vullen.

De nucleoli houdt KöLIIKER (Entwickelungsgescli. d. Ceplialopoden, S. 150) naar hunnen vorm en hunne overeenkomst met elementaire ligchaampjes voor vetachtige ligchamen, en hierom ook voor blaasjes, hoewel zij bij de sterkste vergrootingen homogeen schijnen. Zij bereiken, zoo als boven vermeld is, dikwijls eene aanzienlijke grootte, en de grootte is daarom alleen niet meer voldoende, om kernligchaampjes van kernen te onderscheiden. Vóór het verdwijnen verkrijgen zij nitholingen en veranderen zich in doorschijnende blaasjes. Zij verdwijnen overal, waar kernen en cellen zich tot vezels ontwikkelen, maar ook in de blijvende kernen van vele weefsels. Dat men de kernen meestal op eenen tijd onderzocht, waarop zij reeds in het laatst van hun leven zijn, zou aanleiding hebben gegeven, om hun standvastig voorkomen over het hoofd te zien, terwijl K. ze in de meeste gevallen niet miste, en het telkens aan bijomstandigheden gelooft te kunnen toeschrijven, wanneer zij ontbraken. Ook Naegeli (Henle's Bericht in Canstatt's Jahresb., 1815, p; 45) neemt aan, dat zij standvastig aanwezig zijn.

Aan de kernen der plantencellen meent Naegeli (Schieiden ü Naegeii Zeitscliriftf. wissenschafftl. Bot. Heft I,) op zijne uitgebreide onderzoekingen over alle planten-familiën steunende, algemeen het uitwendige vlies, den inhoud enhet kernligchaampje te moeten onderscheiden. Daar de kern hol is, noemt hij haar ook kernblaasje. Het vlies van de kern zou door jodiumtinctuur zwak geel of in het geheel niet (1. c. p. 5", 59,) de inhoud daarentegen enhet kernligchaampje bruin gekleurd worden. Schieiden (Grutidziige, 2l" Aufl., I, p. 199) verwerpt deze onderscheiding aan kernen van eene normale gesteldheid, en is geneigd om aan te nemen, dat deze zamenstellende deelen eerst bij de latere ontwikkeling der kernen waar te nemen zijn. De vermeerdering der kernen door verdeeling is door Mom

Sluiten