Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in alle afscheidings-werktuigen voor de wezenlijke en oorspronkelijke vormsels, maar meent dat liet celvlies eerst later om den inhoad ontstaat. (Naegeli's celvorming om den geheclen inlioud.) Deze ontwikkeling van cellen uit omhullingskogeltjes schijnt evenzoo menigvuldig plaats te grijpen als de vroeger gekende van Schwann , waarbij het celvlies zich eerst langzamerhand uitzet en de celholte zich eerst later vult. Prévost en Lebeut (Anaal. d. sciences naturelles, 3 serie, 1844 , Oct. p. 226) beschrijven haar hij het embryo van het hoen; volgens Küiuker onlstaan alle cellen van het embryo uit omhullingskogeltjes; bij het pollen der zigtbaar bloeijende planten en bij vele cryptogamen ontdekte Naegeli dit proces (z. o.) H. Zwicht (De corporum lutearum origine atque transformaliune, Diss. inaug. 1844, p. 15) nam ze aan de cellen-van de corpora lutea der koe waar; Bruciï aan pigmentcellen en ontstekingskogeltjes, en ook Jül. Vogel neemt deze wijze van ontstaan voor de door hem zoogenaamde korrcltjcscellen aan (Reccns. van TSntrcn's Unters. in de Gott. gelehrt. Anzeigen, 1844). Hij erkent (ook in zijne Patholog. Anat. p. 93), behalve de door Schwann opgegevene ontwikkelingswijze, in pathologische weefsels eene tweede, waarbij een niet naauwkeurig begrensde nederslag om de kern ontstaat, die eerst later eene cel wordt. Ook C. Schmidt (Zur vergleich enden Physiologie der wirbellosen Thiere, 1845, p. 44) zag bij de regeneratie der kreeftschalen kogelige massa's om vctblaasjes opgehoopt, die zich met een vlies omgaven. A. F. Gümuer (Lehrb. der Plujsiol. d. Menschen, Bd. I, S. 207) nam ditzelfde ontwikkelingsproces aan, ten gevolge van de vormen, die hij in de kvste van eene eijerstok waarnam. Eiscdoff nam ze aan de dojerkogeltjes van het hondenei waar (Entwickelu)igsgesch. der Hundeeies, Braunschw. 1845); Reichert (Müller's Arcliiv, 1844, p. 161, 171), die de vorming van een celvlies om den reeds bestaanden inhoud niet meer ontkennen kan, gaat in zijn streven naar eenheid in vorin zelfs zoo ver, dat hij nu de vroeger zoo sterk door hem verdedigde theorie van Sdüwann opgeeft, «omdat hij zich geene verschillende wijze van ontwikkeling van een en hetzelfde ligcliaam voorstellen kan." Menie (t. a. p. 1845, p. 47) raadt hem, wanneer hem dit bij de cellen zoo moeijelijk is, aan, om het eens bij de aardappelen te beproeven, die uit zaad en uit knollenkiemen ontstaan, of bij de naïdeu, die zich door eijeren en door verdceling voortplanten.

Bruciï (Untersuch. p. 48) zag bij het onderzoek van apoplectische extravasaten, dat de jongste ontstekingskogeltjes zelden eene kern noch een vlies bevatten; de oudere (gekleurde) bevatten dikwijls kernen; de meeste membranen met kernen werden echter aan de oudste, het meest sterk gekleurde gevonden. In deze ontstekingskogeltjes hebben zich derhalve eerst later kernen, en om deze eindelijk membranen gevormd. Dezelfde overgangen werden in eene melanosis hulbi gevonden, en in gewone exsudaten zouden dikwijls in vroegcren tijd pigmentkorrels en klompjes, veel zeldzamer echter pigmentcellen aanwezig zijn.

In de aangevoerde gevallen is nog steeds de kern de vormer der cel, onverschillig of de celwand zich regtstreeks om haar, dan wel om den inlioud vormt. Maar ook voor die soort hoopen zich voorbeelden opeen, waarbij de kern eerst binnen de voltooide cel ontstaat.

Beschouwt men het gebcole ei als eene cel en het kiemblaasje als hare kern,

Sluiten