Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onoplosbare zelfstandigheden afscheiden en in het centrum verzamelen. M. onderzocht de ontwikkeling van den etter in versche wonden , en vond na '/4 aurs enkele korreltjes van 0,0001—0,0005"', na 1/2 uur dezelfde korreltjes deels afzonderlijk, deels in vlokken aaneenhangende en ware etterligchaampjes met alle tusschentrappen van deze ligchaampjes tot de genoemde vlakken. De etterligchaampjes hadden na de behandeling met azijnzuur, deels fijn korrelige en van korreltjes omringde, eenvoudige kernen, deels zamengestelde kernen, 3—5. Na 1 uur kwamen er 2—4, nu eens geheel en al afgescheidene, dan weder gedeeltelijk ineengesmoltene, klaverblad-, hiscuit-\OTm\^ kernen enz. voor. In een niet gering aantal was de kern eenvoudig, en bij verder onderzoek bleek het, dat het aantal der kernen standvastig met den ouderdom van liet exsudaat afnam. Ook in de lymphe gaan er korrelige, eenvoudige kogeltjes, zonder zich te vergrooten, in vormen met eene korrelige kern en smal omhulsel en later met cene gladde, kleinere kern en breeder omhulsel over. Hieruit volgt reeds, dat het niet noodig is eene secundaire dispositie in den omtrek aan te nemen, en er kan een omhulsel gevormd worden, doordien de deelen, die de kern helpen vormen, zich meer en meer concentreren, terwijl zij gelijktijdig, zoo als in de etterbolletjes, in aantal afnemen en zich tot des te grootere korreltjes aaneenvoegen. Dit proces wordt des te waarschijnlijker, wanneer, zoo als H. Nasse (VVaghïr's Handwörterb. IF, 386) en Muller uitvoerig uiteenzetten, het aantal en de vorm der kernen verschillend uitvalt, naarmate van de hulpmiddelen, waarmede zij zigthaar gemaakt worden. Wanneer men eenen droppel bloed of exsudaat in 2 deelen verdeelt, en het ééne met water, het andere met azijnzuur behandelt, dan zijn er in de laatste helft meer zamengestelde kernen, en in het algemeen meer kernen, dan in de eerste; een gering verschil wordt ook waargenomen, naarmate het water zeer langzaam of in groote hoeveelheid plotseling inwerkt. De door water te voorschijn komende één- tot drievoudige kernen worden door azijnzuur niet verder verdeeld. Men kan derhalve door de aanwending van verschillende uitwendige magten willekeurig in ligchaampjes van dcnzelfden ouderdom vormen van kernen doen ontslaan, die bij eene gelijkmatige, uitwendige inwerking tot verschillende ontwikkelingstrappen heli ooren , en men zal het met Muller voor waarschijnlijk houden, dat het proces, waardoor bij de natuurlijke ontwikkeling de verschillende vormen na elkander ontstaan, met dat overeenkomt, hetwelk bij de kunstmatige verandering door reagentia plaats heeft, namelijk eene scheiding der oplosbare en onoplosbare bestanddeelen.

Eene zeer eigenaardige ontwikkeling moet volgens de opgaven van Prévost en Lebert (t. a. p.) aan de dojerelementen van den kikvorsch eigen zijn. Er zullen namelijk binnen in het ei aanvankelijk kerncellen van ongeveer 0.02"' doormeting bestaan. De cellen zullen zich oplossen, de overige kleine korreltjes van den dojer zich deels om de blijvende kernen groeperen, deels tot hoopjes vereenigen, waarom zich eindelijk een omhulsel vormt.

Ook de celvorming bij de planten, zoo als zij door Schleiden is voorgesteld, heeft hare bestrijders, wier gevoelen aanmerkelijk van dat van S. verschilt. Volgens Hu go ton Moül (Botanische Zeitung, 1844, p. 213, 1846, p. 73) bevat de moedercel een taai, ongekleurd, met fijne korreltjes vermengd vocht, «protoplastnadat de bouwstof voor de vorming van de kern afgeeft. De kern zelf be-

Sluiten