Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sclienwand voor een gedeelte van een volkomen celvlies. Deze wijze van celvorming beperkt Iiij geheelenal tot de conferven. Mom wijkt derhalve daarin van Naegeli af, dat hij geene ringvormige insnoering van het celvlies erkent en den tusschenwand zich daarop niet plotseling laat afzetten; hij stemt daarentegen daarin met hem overeen, datd e Primordialschlauch (slijmlaag N.), zoolang hij met liet celvlies in verbinding is, houtlagen vormt, en zoodra hij er van gescheiden is, een nieuw celvlies vormt. Tegen Mohl's leer van het maaksel van den celwand, dat namelijk het buitenste, volkomen geslotene, ondoorboorde vlies, het vlies der jeugdige cel is, dat de verdikking van hetzelve door neèrzetting van secundaire vliezen op deszelfs binnenvlakte plaats grijpt, en dat deze secundaire vliezen door openingen en spleten doorboord kunnen zijn, die bij de voortgaande verdikking kanalen (Tüpfelkanale) vormen, werden in den jongsten tijd door Hartig, Mulder en Harting tegenwerpingen gemaakt.

Volgens Hartig (Lehrb. der PJlatizenkunde in Anw. auf Forstwirthschaft, Berl. 1841—46. Reit rage z. Entwickelungsgescli. der Pflanzen, 1843) bestaat de celwand uit 3 vliezen: 1. de ptychode, als het primaire celvlies. De ptychoden der nabij gelegene cellen liggen oorspronkelijk digt bij elkander, groeijen op sommige spiraalvormig gerangschikte, kortere of langere streken aaneen, en scheiden op de plaatsen, w aar geene aartfeengroeijing heeft plaats gehad, naar buiten het tweede vlies, 2. de astathe (Mohl's secundaire lagen) af. Tusschen de naast elkander gelegene astathen ontstaat een voor haar gemeenschappelijk bindmiddel, het derde vlies, 3, de eustathe (Mohl's primair vlies). Dit vlies omgeeft de cel niet overal, maar is dikwijls slechts aan de tusschencelgangen zigtbaar. Door jodiumtinctuur en zwavelzuur worden de ptychode en de eustathe geelachtig bruin, de astathe blaauw gekleurd. De porenkanalen bevinden zich aan de aaneengegroeide plaatsen der ptychoden, en wordendoor haar van buiten afgesloten. Zoo de porenkanalen een hof bezitten (hetwelk volgens Mohl door eene linsvormige holte gevormd wordt, daar de buitenste geslotene vliezen der tegen elkander aanliggende houtcellen om de met haar in verbinding staande porenkanalen uiteenwijken), dan wordt deze door eene uitbreiding der ptychode bekleed, enz.

Moni. (Bot. Zeitung, 1844, St. 15—19) kwam bij herhaling zijner onderzoekingen tot de ontdekking van den boven reeds vermelden Primordialschlauch, maar kon hem niet met Hartig's ptychode gelijk stellen, daar het bestaan van deze slechts voorbijgaande is, en hij haar in oude cellen, op welker onderzoek Hartig's beschouwing gegrond is, spoorloos verdwenen vond. De binnenste secundaire laag houdt hij voor de ptychode van Hartig, verklaart de meening van H., dat het buitenste vlies (de eustathe) als geene volkomen geslotene cel kan worden aangemerkt, voor onwaar, terwijl hij tevens de eigendommelijke kleuring der eustathe en de linsvormige uitzettingen der ptychoden in het hof der poren (Tiipfel) op grond van zijne onderzoekingen ontkent, even als pok het ontstaan der verschillende lagen in de volgorde, zoo als die door II. is opgegeven. (Verg. Metteniüs in Canstatt's Jahresb. 1845, p. 43.)

Harting en Mulder (Phys. Scheikunde, 5de stuk, p. 418) hebben de waarnemingen van Hartig niet kunnen bevestigen. Zeer uitvoerige onderzoekingen zijn door hen hekend gemaakt omtrent den scheikundigen toestand van de vcr-

18*

Sluiten