Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 2 klassen verdeelt, naarmate hunne doormeting van hun eerste ontstaan af tot aan hunnen voltooiden groei niet of zeer weinig toeneemt, zoo dat de vergrooting der organen slechts van vermeerdering der elementaire deeltjes kan worden afgeleid, dan wel hunne doormeting steeds in omvang toeneemt, en daardoor hun aantal niet meer schijnt te klimmen, leidt de vermeerdering der vezels en bundels in vezelweefsels op meerdere plaatsen van overlangsolie splijting der vezels af, zonder daarvoor eenen anderen grond bij te brengen, dan dat vele vezels in den vroegsten tijd van het embryo-leven dikker zijn dan in lateren tijd en dat dikke vezels zich in hun beloop in verscheidene fijnere vezels schijnen te splijten (p. 53). De vorming van het nieuwe bindweefsel uit de vezelstof van den bloedprop heeft Zwickt (Die Metamorphose des Thrombus, p. 25, 46) nagegaan en zich overtuigd, dat uit de verlengde kernen de kernvezels ontstaan, doch dat het cytoblastema zich regtstreeks, met de rigting der kernen overeenkomstig, in vezels splitst. Het ontstaan van kernvezels uit kernen kon ook Kölliker (Schleiden u. Naegeli, Zeitschr. 1845, p. 75) aan eenen in bindweefsel veranderden psoas opmerken.

Wat de bewegingen der cellen ^betreft, zoo heeft vooreerst Valentin (Lehrbuch I, p. 14) ontkend, dat de zoogenoemde liROWN-sche moleculair-beweging door de trekking der lucht of door verdamping ontstaat, daar zij, zoo als hij gevonden heeft, ook in toegesmoltene glazen buisjes voortduurt. Hij is daarentegen geneigd, om aan de trillingen van het mikroskoop door uitwendige omstandigheden, misschien zelfs door den polsslag van den waarnemer, eenigen invloed toe te schrijven of de beweging onder de verschijnselen der aantrekking en afstooting te rangschikken. Zij zou slechts bij ligchamen voorkomen, die zich niet in de omgevende vloeistof oplossen, maar eene zekere aantrekking tot haar bezitten.

Zoo als bekend is, heeft R. Wagner in de chromatoplioren der sepiën een voorbeeld van contractile cellen gevonden, welke door de zamentrekking harer wanden den gekleurden inhoud van de eene naar de andere plaats voeren. Kölliker (Entwkk. d. Ceplialop., p. 71) kon geen celvlies aan deze gekleurde vlekken ontdekken en schrijft de uitzettingen en zamentrekkingen toe aan eigenaardige, over de gekleurde plaatsen nedergezette vezels der huid. Hij ontdekte verder (t. a. ppag. 156) bewegingen, die met de vochtstrooming der plantencellen overeenkomst aanbieden, in den inhoud van cellen van 2 lagere dieren, namelijk in de moedercellen der zaaddraden van Polyclinum stellatum en in de groote cellen des pas te voorschijn tredenden arms van een onbekend, jong straaldier, waar de strooming van de kernen uitging. Later heeft R. Wagnir zelf berigt, dat de chromatoplioren der cephalopodcn geene eenvoudige cellen zijn en hare zamentrekkingen derhalve geen voorbeeld voor de contractiliteit van eenvoudige celvliezen opleveren. Een nieuw voorbeeld van contractiliteit van het celvlies zouden de gregarinen leveren, wanneer zij, zoo als Köiiiker (Naegeli u. Schieiden's Zeitschr., 1845, p. 97) aanneemt, diertjes waren, die uit eene eenvoudige cel bestonden; Henie heeft daartegen reeds eenige bedenkingen in het midden gebragt (Mülier's Arcliiv, 1845, pag. 367) en de onwaarschijnlijkheid van dit laatste aangetoond.

Uit'al het aangevoerde, dat aan de Jahresberichte van Henie, Mettenibs, Heicbert en Wallach is ontleend, met raadpleging van de meeste oorspronke-

Sluiten