Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke bronnen, voor zoo verre zij mij toegankelijk waren, blijkt, dat (1<. celvorming eene aanmerkelijke uitbreiding beeft ondergaan, maar dat zij nog niet positiver is geworden; nagenoeg alle punten zijn nog betwistbaar en a ken nog de onderwerpen van strijd onder de geleerden uit. Ik gaf daarom de voorkeur aan de eenvoudige vermelding der talrijke hypothesen en waarnemingen, in de laatste jaren in dit opzigt geuit en gedaan, en liet bet aan den denkenden lezer over om bet vooraf medegedeelde met bet latere te vergelijken, en op die wijze uit te breiden. Ik zou derbalve aan dit reeds te uitvoerige aanhangsel misschien een einde kunnen maken, zoo niet één punt nog de aandacht van den lezer der vertaling bijzonder verdiende. Hjeme toch had bij het schrijven van zijn werk nog behoefte aan eene algemeene kracht, die bet organisme beheerscht, die niet bet product is van de krachten der afzonderlijke bestanddeelen van het organisme, en die hij onder het begrip van bet idee der soort beeft aangeduid. Na den strijd, die er zoo wel hier te lande als door de groote mannen buiten bet vaderland tegen de pogingen van enkelen gevoerd is, die in de opvatting der ontwikkeling en der levensverschijnselen van het organisme meer op de wijze der natuurkundigen te werk wilden gaan, na de krachtige pogingen van JIdider, Donbers, FiAïuer en anderen (1), om aan juistere begrippen omtrent levenswerkzaamheid ingang te verschaffen en de diep ingewortelde vooroordeelen , omtrent eene alles besturende levenskracht en hare trawanten krachtdadig te bestrijden, zou ik weiligt ondankbaar schijnen, zoo de aandacht van den le/.er der vertaling ook op deze pogingen hier niet werd gevestigd. Daar echter de bronnen, waaruit hier moet worden geput, ook voor alle lezers der vertaling open staan, mag het overbodig worden geacht, hier in eene uitvoerige uiteenzetting te treden van al hetgeen door de genoemde geleerden voor hunne zienswijze is aangevoerd. Jk wil hier dus slechts naarhunnen arbeid te verwijzen, om alleen nog op te merken, dat zij, die zich een helder begrip van moleculaire krachten hebben gevormd, van vermogens, die in de kleinste deeltjes der elementen huisvesten, dat zij, die het eigendommelijke van bewerktuigde deelen slechts in de functie hebben leeren vinden, die zij uiten , eene functie niet slechts eigen aan massa's van levende deelen, maar onafscheidelijk van elk georganiseerd molecule, die zich eindelijk van het innige verband van vorm en stoffelijke verscheidenheid, door Muider zoo duidelijk uiteengezet, hebben overtuigd en begrepen, dat deze functiën daarnaar en naar de omstandigheden, waaronder de moleculen zich bevinden, moeten verschillen, dat die aan geene afzonderlijke algemeene kracht het beheer van alle verrigtingen kunnen opdragen. Zij weten, zoo als Donders zegt, dat men algemeene verschijnselen moet ontleden en tot de verrigtingen der grondvormen terugbrengen, en dat het onphysisch is, zich zamengestelde verschijnselen als van ééne kracht afhankelijk voor te stellen; daarom moeten zij van de innige overtuiging bezield worden, dat de weefselleer, die de ontleed- en scheikundige zamenstelling en de ontwikkeling der grondvormen opspoort, derzelver wederkeerigen invloed op elkander nagaat, grond-

(1) Zie Molder's Physiol. Scheik., Ie en 5e stuk; Donders in liet Ned. Lancet, Se serie, le Jaarg., 10e stuk, en vooral ook zijne voortreffelijke recensie van Valentin's Physiol. in de Gids, 1846, N°. 13, enz. enz.

Sluiten