Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorzien, die eene doorsnede bezitten van 0,0002—0,0008'". Behalve deze korreltjes, die door hunne donkere omtrekken in het oog vallen, komen er ook onregelmatig verspreide, fijnere en bleekere korreltjes in afwisselend aantal in de kern voor. Niet zelden is hun rand in het oog vallend donker en gezwollen, en er wordt dan naar binnen van denzelven eene tweede, concentrische, maar lichtere kringswijze lijn gevonden, zoodat het geheel er als eene schijf met gezwollen omvang uitziet (PI. I, fig. ij, 8). De kern is in azijnzuur, in bijtende en koolzure ammonia onoplosbaar, maar lost zich in bijtende en koolzure potasch op.

De cel is meestal waterhelder en kleurloos, maar ook dikwijls met kleine puntjes bezet. Of zij hol en met vloeistof gevuld, derhalve eene ware cel of een vaste kogel is, kan door het uitwendig voorkomen niet gemakkelijk worden uitgemaakt. Zoo zij hol was en de celwand dik genoeg, dan moest men den omtrek der laatste in den vorm van twee concentrische kringen onderscheiden, welker afstand van elkander met de dikte van den wand overeenkwam. Daar dit niet het geval is, zoo moet men besluiten, dat er óf geene holte binnen in aanwezig is, óf dat het celvlies zoo fijn is, dat het zich slechts als eene eenvoudige lijn voordoet. Het laatste is uit analogie waarschijnlijker, en bij jongere cellen gelukt het ook, den wand te doen springen, waarop er eene lymphatische vloeistof wordt uitgestort (Purkinje (1) en somtijds de kern naar buiten komt (Vogel (2). Wanneer de cel rondachtig en groot genoeg is, dan ziet men, dat de kern excentrisch ge-

Epithelium van het traankanaal 0,0027'"— 0,0032'"

der traanbuisjes 0,0020"'— 0.0030"'

der spcekselbuizen 0,0024'"

der melkklieren 0.0022"'

van het horstvlies, het buikvlies 0,0040"'

0,0025'"

van het borstvlies, het buikvlies (ovale) . . .

0,0030'"

van het spirinewebsvlies (ovale) in de langste

doormeting 0,0050'"

der plexus clioroïdei 0,0025 ''

der hersenholten 0,0030"'

(1) RasCHKOW, Meletemala, p. t2.

(2) Eiter und Eiterung, S. 80.

Sluiten