Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ééne en wel de binnenste laag van hetzelve uit. Het is op de weivliezen van de borstholte, den buik en de ballen op volkomen dezelfde wijze gevormd, zoo ook op de achtervlakte der cornea. Zoo men op de eene of andere plaats, op de binnenste oppervlakte Tan de wanden der ligchaamsholten of op de uitwendige oppervlakte van die organen, welke een weiachtig bekleedsel bezitten, met het scalpel ligt over het weivlies strijkt, en men de afgekrabte, slijmachtige stof onder het mikroskoop brengt, dan ziet men deels afzondei 1 ijke, platrondachtige cellen, deels vliesvormige stukjes, waarin deze cellen op de wijze van het sierlijkste mosaïk naast elkander gevoegd zijn (PI. I, fig. 1). De kern ligt gewoonlijk in den ondersten wand der bleeke cel. Zij is nu eens rond, dan weder ovaal, over het algemeen korrelig, terwijl steeds één of twee kernligchaampjes door grootte en donkerheid bijzonder gekenmerkt zijn. De cellen zijn van verschillende grootte, het kleinst op de oppervlakte van liet hart, grooter op de binnenvlakte van het hartezakje en de pleura, het grootst op den achtersten wand van het hoornvlies, op het buikvlies en den scheederok der ballen, waar zij eene doorsnede van 0,006—0,007"' bereiken. Zoolang zij digt opeen liggen, zijn slechts de kernen duidelijk en de cellen moeijelijk zigtbaar. Aan afzonderlijke elementen is echter de bleeke omtrek der cel om de kern zigtbaar. Door verdund azijnzuur zwelt de cel op, trekt zich van de kern terug, en men ziet alsdan zelfs aan zamenhangende stukken de grenzen der cellen als bleeke, hoekige, netvormig verbondene lijnen, die ruimten insluiten, in welkei middelpunt zich de kern bevindt. Op den omgeslagen rand der genoemde weivliezen vormt het epithelium eene zeer heldere, korrelige laag, die aan de vertikale doormeting der cellen gelijk en ongeveer 0,0007'"— 0,0010'" sterk is.

TVelligt komt er eene soortgelijke opperhuid ook op de binnenvlakte van het vliezig doolhof en bepaaldelijk op die der halfcirkelvormige kanalen voor. Het is moeijelijk daaromtrent te beslissen, omdat de kanalen van buiten door bindweefselbundels met kernen en door haai vaten met kernen bedekt zijn, en de binnenste laag zich niet wel afzonderlijk laat beschouwen. Op eenige verscheurde plaatsen zag ik intusschen eenige malen regelmatig naast elkander liggende cellen te voorschijn treden, die op den binnenwand schenen gelegen

Sluiten