Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ie hebben. Pappenhejm (1) beschrijft aan de wanden van het vliezig doolhof cellenlagen, die hij ook op eenige plaatsen epithelium noemt. Bij de in zijn boek heerschende wanorde is het echter onmogelijk, om uit te maken, op welke plaats zij zich bevinden zouden, ja volgens bl. 46, 5, schijnt het, alsof de cellenlaag nog door bindweefsel en vaten bedekt is. Aan de wanden van het beenig doolhof zag ik slechts bindweefsel (periosteum), geene opperhuid. Pappenheim onderscheidt periosteum , slijmvlies en plaveisel-epithelium.

Dezelfde gedaante, als op de weivliezen, bezit de oppéïhuid op eenige slijmvliezen, met welken naam wij voorloopig de wanden van die inwendige kanalen en holten aanduiden, welke van buiten toegankelijk zijn. In het algemeen is de opperhuid der slijmvliezen des te fijner, en komt zij des Jp meer met de opperhuid van sereuse vliezen overeen, hoe fijner het slijmvlies zelf is. Zoo is namelijk bet epithelium op het slijmvlies der trommelholte, als ook in de fijne uitlozingsbuizen van vele klieren (zweet-, slijm-, melkklieren) en in de klierkanaaltjes zelve, voor zoo ver het als epithelium beschouwd kan worden , uit eene eenvoudige laag van zeer kleine, kogelachtige cellen gevormd.

Aan dezen eenvoudigsten vorm sluit zich het naast aan het epithelium der vaten, dat het hart, de slagaders, de aders en watervaten bekleedt en zich eerst in de fijnste haarvaten verliest. Zeer dikwijls bezit het volkomen hetzelfde maaksel, als het epithelium der sereuse vliezen; in andere gevallen zijn de kernen ovaal, de cellen eveneens in de lengte uitgetrokken (PI. I, fig. 2) en zoo plat, dat zij, op den rand staande, slechts als fijne draden voorkomen. De grenzen der afzonderlijke cellen zijn echter niet altijd aan te toonen, en het schijnt, dat de opperhuid ontbreken of zich veeleer geheelenal in de binnenste laag van het vezelige vaatvlies veranderen kan, waarover eerst bij de beschrijving van het maaksel der vaten gehandeld kan worden. Tot daartoe stellen wij dan ook de meer uitvoerige beschrijving van het epithelium zelf uit.

Eenen zeer eigenaardig gekenmerkten vorm bezitten de cellen, die de plexus choroidei der hersenen bekleeden (PI. I, fig. 4). Zij zijn polygonaal en naderen aan den ronden vorm, waar zij de vlok-

(IJ Gewehelelite des Gehörorgans, S. 42 volg*.

19

Sluiten