Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aaneenhangend als vveeke en taaije vliesjes van de wanden der mondholte laten afstrijken en afzonderlijk in de vloeistoffen van den inond drijven, zijn volkomen plat, onregelmatig, maar week en buigzaam, van ongeveer 0,018—0,035'" doormeting (PI. 1, fig. 5). Zij bevatten, behalve de kern, kleine, verstrooide, donkere puntjes, somtijds ook duidelijke, regte en evenwijdige strepen over de geheele oppervlakte, die misschien op eene laagswijze nederzetting der stof duiden, waardoor de cel groeit. De oppervlakkige, platte cellen van het laagsgewijs epithelium zijn onoplosbaar in azijnzuur, verdund zwavelzuur en zoutzuur, en blijven in water gedurende vele weken onveranderd. (1) Het zoogenaamd slijm van het speeksel, dat grootendeels uit afgestooten epithelium bestaat, laat bij de aschvorming phosphorzuren kalk achter (Berzelius).

Nog merkwaardiger is de verandering, welke de epitheliumcellen op de uitwendige ligchaamsoppervlakte ondergaan. Het digtst bij de cutis bevindt zich eene meer of minder sterke laag van cellen, welke met die van de opperhuid der weivliezen mikroskopisch en chemisch overeenkomen; alleen is de kern door eene bleekroode kleur eigenaardig gekenmerkt, en zou zij naar bloedkogelljes gelijken, zoo niet de standvastig ovale vorm er mede in tegenspraak was. De cel, welke haar omgeeft, is zoo klein, dat de gelieele massa op het eerste gezigt blootelijk uit kernen schijnt te bestaan. In de onderste laag ontbreken de cellen misschien werkelijk. De kleinste cellen hebben aan de voetzool eene doormeting van 0,055 — 0,005'", aan den eikel van 0,0025—0,0072"'; zij zijn week, korrelig, en komen dikwijls den kogelachtigen vorm nabij. Wanneer de cutis oneffen is en uitpuilende verhevenheden bezil,

(1) Wanneer de oude, ineengeschrompelde, velerlei gedaante aanbiedende epitheliumcellcn van liet slijmvlies van den mond met liq. natri clilorati behandeld ■werden, zag BrüCH (Zeitschr. f rat. Med., III, p 315), dat zij zich reeds na •weinige minuten langzaam uilzetteden en opzwollen. De plooijcn werden uitgewischt en glad; de cellen werden steeds doorschijnender, en verkregen eindelijk eencn regelmatig kringswijzen of elliptischen vorm. Wanneer dc uitzetting en doorschijnendheid op het hoogst geklommen waren, dan werden de omtrekken matter, en alles verdween eindelijk spoorloos, tot op enkele ronddrijvende korreltjes na, zoo als men die aan alle epidermiscellen opmerkt. (Vergel. Jahresb. üb. Histologie van IIïnie , 1G45, p. 50). Zie verder Donders en Mclder's onderzoekingen in de Physiol. Scheikunde, pag. 552—555.) Vmt.

Sluiten