Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stendig met vet doortrokken, en inet hetzelve bedekt. Zij rot niet, smelt in het vuur zonder zich te buigen of op te zwellen, en verbrandt met eene heldere vlam. In den Papiniaanschen pot verandert zij zich in eene slijmige stoffe. Door zamengedrongen zwavelzuur wordt zij allengs opgelost; bij eene korte inwerking aan het levende ligchaam wordt zij door hetzelve bruin gekleurd. Door zoutzuur wordt de opperhuid niet ontkleurd; azijnzuur neemt bij de verhitting eene kleine hoeveelheid eener zelfstandigheid uit haar op, die door bloedloogzout wordt nedergeslagen. Salpeterzuur kleurt de levende opperhuid geel, en lost een gedeelte op, dat niet door bloedloogzout wordt nedergeslagen; waterstofsuperoxyde kleurt haar graauw wit. Bijtende loogen lossen, zelfs in zeer verdunden toestand aangewend, de opperhuid gemakkelijk op; volgens Wendt slechts bij verhoogde temperatuur. In de alkalische oplossing brengen zuren witte nederslagen voort; koolzure loogen verharden de epidermis; zwavelloogen kleuren haar bruin en zelfs zwart. Door salpeterzuur zilververzuursel wordt de opperhuid, ook na het inwendig gebruik, melkwit, vervolgens aan het licht blootgesteld graauwblaauw, als potlood; de kleur, die door het voortgezet inwendig gebruik van salpeterzuur zilveroxyde wordt veroorzaakt, is daarom ook donkerder aan onbedekte, aan het licht meer blootgestelde plaatsen van het ligchaam (1). Door zoutzuur goud wordt de opperhuid purperrood, door salpeterzuur kwikzilver roodbruin

huid verschillen, zegt hij, wezenlijk van die der haren, zoo dat wij ze volstrekt niet tot hetzelfde weefsel mogen terugbrengen, terwijl de nagelen in'hare eigenschappen met die der opperhuid zoo zeer overeenkomstig zijn, dat men beide voor dezelfde scheikundige ligchamen houden zou, indien de zamenstelling derzelve niet te onderscheiden was. Het zwavelgehalle namelijk der opperhuid is veel geringer dan dat der nagelen, en het carbonium der opperhuid verschilt insgelijks om 1 pCt. van dat der nagelen, weshalve zij niet identisch zijn. V£RT.

(1) Deze kleur ontstaat, volgens IviucsE, door de nederzetting van chloor- en gereduceerd zilver in korreltjes van 0,0006—0.001 doormeting in de tusschenruimten der cellen (/.. Art. 11 nut in Wag ner's Handwörterb. d. Phys. 11,119), en wel het sterkst in de diepe cpidermislaag en rondom de uitlozingsbuizen der zweetklieren. Volgens Molder (t. a. p. 555) ontstaat die kleur, cn omdat er in de opperhuid keukenzout voorkomt, waardoor chloorzilver wordt gemaakt, betgeen aan het licht verkleurt, cn omdat de zwavel in de opperhuid zwart zilver-sulphureet vormt, cn omdat het zilveroxyde tot zilver herleid wordt (door de lactaten?), terwijl zich het salpeterzuur tot ïanthoprotcineznnr verbindt. Veht.

Sluiten