Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekleurd. Met vele plantenkleuren verbindt zij zich scheikundig. In alkohol en aether is zij onoplosbaar; ook met de looistof gaat zij geene verbinding aan (1).

Beschouwen wij de epidermis in haar geheel als membraan, dan is zij gekenmerkt door vele diepere en meer oppervlakkige plooijen, door groeven en verhevenheden tusschen deze plooijen, en door schijnbare openingen of groeljes, waarvan eenige de gelegenheid geven tot het uitkomen van haren, andere eene vette stof, nog andere op zekere tijden zweet in kleine droppels ontlasten. Al deze ongelijkheden en openingen komen slechts met de ongelijkheden en openingen der lederhuid overeen, die door de epidermis bedekt wordt, en zij kunnen daarom eerst bij de beschouwing der cutis naauwkeuriger beschreven worden.

Daar de epidermis de tepelvormige verlengsels der lederhuid bedekt, verkrijgt zij zelve een vlokkig aanzien, zoo als b. v. aan het voorste gedeelte der tong; op andere plaatsen echter, met name in den handpalm en de voetzool, is de opperhuid dik genoeg, om de cylindrische tepeltjes der lederhuid slechts in verdiepingen harer binnenste oppervlakte op te nemen, terwijl de buitenste oppervlakte glad of slechts met geringe verhevenheden over de tepels heengaat. Zoo is het ook op de tong der herkaauwende dieren. Deze gesteldheid heeft tot eene dwaling omtrent het maaksel der opperhuid aanleiding gegeven, welke heden nog niet geheelenal weggenomen is. Door maceratie en door koking wordt de opperhuid namelijk op plaatsen, zoo als die, welke zoo even «|p|jjljjjjljp||l werden aangeduid, gemakkelijk in twee la-

lfflMÊÊÊÈÊwË' ^Cn verc'ee't'' eene bovenste, onafgebrokene <j(| Wm?> (a) > die zich van de vrije vlakte of op de

loodregte doorsnede van den vrijen rand der opperhuid tot aan de punt der tepeltjes of ook iets dieper uitstrekt, en eene onderste (/;), van de punt der tepeltjes tot op de huid. De bovenste laag laat zich gemakkelijk verwijderen. De onderste blijft op de cutis zitten, en is' met loodregte kanalen doortrokken, welke de zenuwtepeltjes (c) aanvullen, wanneer deze met de cutis

(t) Vergelijk ook de onderzoekingen 'van Donders en Mdiier (PJujs. Scheikunde, paj. 556 en 557). Vert.

Sluiten