Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet zeer fijn, somtijds zelfs dikker dan de epidermis (Wendt) (1). Zelden kan het intusschen als een afzonderlijk vlies bereid worden, en het is noodig om op te merken, dat juist op de plaatsen, waarop men het rele Malpighii meende te kunnen aantoonen, en waaruit men het besluit vormde, dat de geheele overige huid zoo zamengesteld was, andere elementen voor de oorspronkelijke en weeke laag der opperhuid gehouden zijn. Dit is gebeurd aan de tong der herkaauwende dieren en aan de huid der negers. De cellen, waaruit de onderste laag van de opperhuid der tong bestaat, die als zoogenaamd rele achterblijft, onderscheiden zich hoogstens eenigzins in grootte van de cellen der oppervlakkige laag. Onrijpe epiiheliurn-cellen zoo zullen wij de kleine cellen der diepere lagen noemen komen slechts in eene zeer dunne laag onmiddellijk op de vlakte der cutis voor. Hetgeen men van de huid der negers als rete Malpighii aftrekt, is echter niet eens een gedeelte der opperhuid, maar eene pigmentlaag, welke tusschen epidermis en cutis is uitgespreid en bij eene blanke huidkleur niet gevonden wordt. De opperhuid der negers is niet alleen helderder dan haar zoogenaamde rete Malpighii, omdat zij drooger is, maar zij verschilt ook wezenlijk niet van de epidermis der blanken, wanneer al het korrelig pigment van haar verwijderd wordt (2).

(1) Volgens KriAOSE is liet voornamelijk de verlioorndc laag, welker dikte afwisselt, van 0,015—1'"; de dikte der diepe en middelste lagen is tamelijk standvastig tusselien 0.015—0.05"'. De lioornlaag is op de punten der papillen slechts weinig dunner dan tusselien dezelve; de diepe laag daarentegen is daar aanmerkelijk dunner dan bier. (Z. Handw. van Wagner, II, 117.) Vert.

(2) Op dit punt. dat zoo gemakkelijk schijnt te kunnen worden uitgemaakt, lieerscht een groot verschil van meeningen. Malhghi (t. a. p.), JIonro (Works, p. 70/), IIauer (Element, physiol., V, 19) en Hichat (Anat. génerale, IV, 452) noemen de opperhuid der negers ongekleurd; Rotsen (Curue renovatue, N°. 59, 87), Crdikshank (Unmerkliclie Ausdünslung, S. 2), Camper (Demonstr. anat. fiath. L, 1, c, 1), IIeusinger {A bn. Kohlen und Pigmentbildung, S. 14), cliechei (Ann. des scienc. nul. 2 sér. II, 344) en Flodrens (t. a. p. VII, 160, IX, 240) vonden haar graauw of licht zwartachtig; WlKSlOvv (E.vposit. anat. p 488) en Aibinos (De sede et causa coloris aethiop. p. 6), hij welke zich ook E. II. Weber (IIildebrandt's Analom. I, 187) voegt, vergeleken haar met een dun plaatje van zwart hoorn; ten eenen male zwart schildert haar Leeowewhoek (Opj>. III, 80), Santorini (Observ. anat. pag. 2) en RüDOIPHI (Berlin. Akad. 1814 15, S. 177) af. De epidermis der negers maakt zich niet volkomen zuiver

Sluiten