Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Imet zelden afzonderlijke, afgestootene flimmer-cylinders voor. E. H. Weber (1) heeft een geschikt middel aan de hand gegeven, om ze te allen tijde uit het levende ligchaam ter onderzoeking te verkrijgen. Men brengt eene penneschacht in den neus, waarvan de harde plaat van boven losgemaakt en haakvormig omgebogen is. Door den haak zachtkens tegen het tusschenschot van den neus heen en weder te bewegen, verkrijgt men de opperhuid in de gedaante van een slijm, dat men met een mes op de glazen plaat overbrengt. De flimmerbeweging duurt aan deze afgestotene cellen somtijds een half uur lang voort.

piiysiologie.

De laagsgewijze opperhuid groeit van de lederhuid af aan, en slechts op de oppervlakte der laatste vormt zij zich op nieuw. Dit bewijst het volgende experiment van E. H. Weber (2). Hij maakte aan de punt eens vingers 4 loodregte insnijdingen in de opperhuid, en vormde op die wijze een klein vierkant der opperhuid, dat de dikte van den nagel van dezen vinger bezat, hetwelk door hem werd afgescheiden en met een puntig mes er uitgeligt, zonder dat de lederhuid geheel en al van opperhuid ontbloot of op eene andere wijze gekwetst werd. De kleine vierkante groef, die hierdoor ontstaan was, werd daarna niet weder opgevuld, noch ook de oppervlakte van de insnijdingen der opperhuid veranderd. Zulk een verlies van zelfstandigheid wordt slechts daardoor weder in het gelijk gebragt, dat de opperhuid in den omtrek zich allengs afschubt, vervelt. Deze desquamatie echter grijpt bij de epidermis bestendig plaats. Zoo zij ook al in gezonden toestand niet op alle plaatsen wordt waargenomen, dan laat zij zich toch daardoor aantoonen, dat oppervlakkig gekleurde plaatsen op de huid allengs verdwijnen; verder door de groote hoeveelheid van epidermis-schubjes, die zich bij het baden in eene kuip op de oppervlakte van het water verzamelen; door de groote menigte van schubjes, die zich ophoopt, wanneer men eenig lid gedurende eenen langen tijd ingewikkeld heeft gehouden; het gemakkelijkst echter op de slijmvliezen, wan-

(1) t. a. p.

(2) hudebr. Anatomie, 1, s. 191.

Sluiten