Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer uien de menigte van cellen beschouwt, die b. v. van de wanden der mondholte en de oppervlakte der tong met liet speeksel weggespoeld worden. Even als echter de desquamatie bestendig plaats grijpt, worden er ook steeds nieuwe lagen op de oppervlakte der cutis voortgebragt, die allengs meer naar buiten komen. Daarin bezitten wij een middel, door de afzonderlijke lagen van het laagswijze epithelium na te gaan, oin de opvolgende veranderingen te leeren kennen, welke de afzonderlijke epilheliumcel bij hare verplaatsing van binnen naar buiten ondergaat. Uit de boven medegedeelde anatomische feiten besluiten wij daarom, dat de kernen het eerst aanwezig zijn, dat de cel zich om deze vormt, en aanvankelijk tamelijk gelijkmatig in grootte toeneemt, doch zich later, naardien zij voornamelijk in de breedte groeit, gelijktijdig afplat, tot dat zij eindelijk den vorm van een schubje van eene onmeetbare dikte krijgt; dat ook de kernen aanvankelijk, hoewel in eene geringe mate, in omvang toenemen, daarbij bleeker en platter worden, en eindelijk, in de epidermis der uitwendige huid, volkomen verdwijnen. Gelijktijdig wordt bij deze ontwikkeling de chemische qualiteit van het celvlies veranderd. Het wordt in hoornstof veranderd, die onoplosbaar is in azijnzuur (1). De inhoud der cel, die in het begin vloeibaar is, verdwijnt waarschijnlijk, omdat zij vast wordt, en den celwand helpt versterken. Omtrent de vroegere tijdperken in de vorming der epidermis verspreidde het onderzoek der normale opperhuid geen licht; mijne onderzoekingen alleen omtrent hare regeneratie na ontsteking leeren, dat ook hier, zoo als voor vele andere weefsels is aangetoond, de celkernen uit 2—4 afzonderlijke, kleinere korreltjes ontstaan (2). Kernen, die door eene onvolkomene splijting dezen oorsprong verraden, worden ook somtijds in de jongere lagen gevonden (PI. I, fig. 7, a). Boven heb ik reeds trach- I ten aan te toonen, dat ook de cellen van het cylinder- en flimmerepithelium uit eenvoudige, rondachtige cellen ontstaan. Yalentin vermoedt (5), dat llimmer-cylinders ook door ineensmelting van

(1) De scheikundige zamenstclling der opperhuid verschilt, volgens Mclder , van die van hoorn. (Verg-. Phjsiol. Scheik., p. 558 en 569 ) Vert.

(2) Ueler Schleim- und Eilerhildung, S. 56.

(3) MüUER's Ai chiv, 1810, S. 205.

Sluiten