Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blofl'en uit het bloed aantrekken en op de oppervlakte weder afge' ven, laat zich niet tegenspreken, daar ook de zelfstandigheid van afscheidende organen, zoo als later zal worden aangetoond, hoofd zakelijk uit cellen bestaat, en het is zeer waarschijnlijk, omdat er klieren zijn, welker parenchyma ten laatste geheel en al uit de zelfde cellen is zarnengesteld, die het epithelium harer uitlozingbuizen zamenstellen. Intusschen mag men niet uit het oog verliezen , dat er op vele plaatsen voor specilieke afscheidingen, behalve de epithelium-cellen, nog andere voorkomen. In de maag wordt de epithelium-laag terstond bij den aanvang der spijsvertering afgestooten, en dan eerst komen de cellen, welke het maagsap vormen, te voorschijn. In de ballen liggen de cellen, waarin zich de zaaddiertjes ontwikkelen, aan de binnenzijde van het cylinder-epithelium. Op dit punt moet ik bij de anatomie der klieren terugkomen.

Een der merkwaardigste physiologische feiten is de zelfstandige beweging der trilhaartjes op de cylinders van het fliinmer-epilhelium. Zij is niet van den invloed der zenuwen afhankelijk, want de zenuwen strekken zich niet tot aan de flimmerende opperhuid uit; de beweging wordt ook niet opgeheven door de onmiddellijke aanwending van narcotische stoffen of door vergiftiging met deze (1) Zij duurt aan geheel en al afgescheidene cellen eenen zeer langen tijd voort (2), en daaruit volgt, dat de geheele toestel en de oorzaak der beweging in de afzonderlijke cel moet gelegen zijn. De overlangsche strepen, die men daaraan somtijds opmerkt, kunnen het vermoeden doen ontstaan, dat er eene soort van spiervezelen binnen in de cel aanwezig is, die de beweging der haartjes veroorzaakt. Intusschen bestaat er overigens geen voorbeeld van spieren zonder zenuwen, en deze overlangsche strepen worden ook alles behalve algemeen aangetroffen. Het beginsel van de beweging der ciliën is nog ten eenen male onbekend.

Purkinje en Valentin (3) onderscheiden drie soorten van beweging aan de ciliën: 1. eene trechtervormige, waarbij de basis van

(1) PcRKiNjEet Vaiextin, Motus vibrator.\i. 83. Müiler's Arc/tie, 1835, s. 15;).

(2) Bij ongewervelde dieren (slakken), op-enkele rottende stukjes, dikwijls vei scheidene weken.

(3) t. a. p, p. UO

Sluiten