Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vele kruipende dieren (C. Mayer, Froriep's Nolizen, 1024) (1).

In plaats der opperhuid, komen erbij dieren velerlei, deels hoornachtige, deels beenige voortbrengsels voor, als schubben, schilden, hoornbekleedsels der insekten, enz. Slechts weinige dezer zijn tot nog toe ten opzigte van hun weefsel onderzocht. Over de schubjes der vlinders zie Ber\ard-deschamps, Ann. d. sciences naturelles, 2 Sér. III, 111; over vischschubben: Mandl, Anal. microscop. Livr. Y. Ann. d. scienc. nat. 2 Sér. XIII, 62. Daartegen Agassiz, Ann. d. scienc. nat. 2 Ser. XIII, 58, Yalentin's Rcpert. 1840, S. 184. Mayer, die Melamorphose der Monaden, S. 16.

Werd ook al tot op den jongsten tijd de opperhuid nagenoeg steeds als een onbewerktuigd afscheidingsproduct der cutis aangemerkt, en ontleenden ook al de aanhangers dezer opvatting (piddoirni, Mojcn, Wekdt) hunne argumenten meer uit physiologische feilen dan uit de waarneming der structuur, zoo werd toch haar zarnengesteld maaksel herhaaldelijk meer of minder volkomen beschreven. Leeuwenhoek (Opp. UI, 46) zag, dat de uitwendige opperhuid uit digt naast elkander gerangschikte schubjes bestond, waarvan er 200—270 door een zandkorrel bedekt konden worden, en dat deze schubjes afgestooten werden (III, 504); alleen de gedachte overeenkomst dezer schubjes met vischschubben leidde hem tot velerlei onjuiste opgaven. In de Epislolae physiulogicae {Opp. II, 408), waar hij diepere lagen der epidermis voor oogen had, ziet hij de eellen voor doorgesnedene vaten en de kernen voor openingen dezer vaten, d. i. voor poren aan, ■waardoor het zweet zou afgescheiden worden ; vandaar komt het, dat hij het aantal op 120 in 7,o' opgeeft. Deze poren zouden gewoonlijk niet open zijn, maar door schubjes bedekt, die men eerst móet afschaven. In het slijm der scheede ontdekte hij schubjes, waarvan hij vermoedde, dat zij haar binnenste vlies gevormd hadden, en welligt door den coitus waren afgestreken [Opp. 1, 153,155). Datde schubjes uit de mondholte met die der uitwendige huid overeenkomst bezitten,'en slechts breeder en weeker zijn, werd door hem reeds opgegeven [Opp. III, 51.) Ook de cylindrische epitheliumeellen van het darmkanaal heeft hij gezien, hoewel hij het beeld onjuist verklaarde (p. 54,61). De netvormigetusschenruimten, welke tusschen de eindvlakten der cylinders zigtbaar zijn, wanneer men het epithelium van boven beschouwt, houdt hij voor een fijn vaatnet. In de interstitia van hetnetzoueene stof liggen, die aanvankelijk uit kogeltjes scheen te bestaan, daarna echter als uit vezelen zamengesteld zou herkend zijn, vezels, die aan het eene uiteinde door het genoemde vaatnet bedekt en ingesloten, door middel van het andere einde met het vlies verbonden zouden geweest zijn, dat door de onlleedkundigen voor hetinwendige darmvlies wordt gehouden. De stof derhalve, die anders als darmslijm

(1) Vergel. VilEHTIN's artikel: Flimmerleuregung in Wagner'sHandwörterhI, S. 486. _ Yert,

Sluiten