Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd beschouwd, 7.oti een organisch vlies zijn; hij noemt het de inwendige darmspier, daar hij deszelfs staafjes voor spiervezels houdt. De afbeelding (t. a. p. Fig. 7) is zeker zeer onnaauwkeurig. Niet veel beter zijn de afbeeldingen der epidermis bij Ledermülier (Mikroskop. Ergötzung. 1763, Taf. LV), waar intusschen Fig. 5 d de kern der schubjes goed is opgegeven, en bij Dej.i.a Torre (Nuove Osserv. 1776, Tav. XIII, fig. 7). Eene volkomen juiste afbeelding van de epitheliumcellen der uitwendige huid van den aal wordt bij Foktana gevonden (Viperngift, 1781, Taf. I, Fig. 10). Ilij schildert op hl. 402 de ligchaampjes af uit het huidslijm van den aal als blaadjes met eene ronde kern, die eene centrale, ronde, donkere vlek zou bezitten, zonder echter bunnen waren oorsprong te vatten. Raspaie (Brescdet, Répert. gen. T. IV. P. 2.1827, Tab. II, fig. 2,3) gaf eene zeer goede afbeelding van de opperhuid bij eene honderdvoudige vergrooting; hij beschreef bare elementen (p. 156, 161) als platte cellen, welke hier en daar kogeltjes bevatten; daar hij echter zijn onderzoek in het werk stelde, hoofdzakelijk met het doel, om de door Foktana en Milne Edwards opgegevene gelijkvormigheid der organische elementen te wederleggen, zoo ontsnapte bet stelselmatige in den oorspronkelijken vorm der cellen aan zfjne aandacht. In eene latere verhandeling (t. a. p.T.VI, P.4,1828,p. 161, fig. 9—14)levert bij eenejuistebeschrijving en goede afbeelding van de epitheliumplaatjes uit den mond. Delle Ciiiaje «>««««, 1827) geloofde, dat de epidermis uit gedroogde en van vezelstof beroofde bloedkogeltjes gevormd werd, eene hypothese, die, hoe onjuist zij ook zijn moge, toch op eene juiste waarneming berust. De celkernen, die op de binnenvlakte der epidermis en vooral op hare netvormige uitpuilingen opgehoopt liggen, welke in de voren tusschen de huidtepels insteken, houdt hij voor bloedbolletjes, waartoe hare roodachtige kleur ligt aanleiding geven kan; de begrenzingslijnen der afzonderlijke cellen houdt hij voor vezels, die van de bloedbolletjes zouden afkomen. De afbeeldingen fig. IV en V bewijzen dit duidelijk genoeg. Daar bij aan de bloedbolletjes eene neiging opmerkte, om zich bij drooging in kringvormige, op de wijze van een net aaneengevoegde rijen te rangschikken, zoo behoefden deze slechts uit de vaten te treden, om door uitdrooging de epidermis te vormen. Kradse, (Anatomie, I, 1833, S. 77), die aan de opperhuid een celachtig weefsel, en aan de afzonderlijke cellen eene doormeting van f/70—toeschrijft, heeft waarschijnlijk zoowel cellen als celkernen gemeten.

In het jaar 1834 zag eene uitvoerige verhandeling van Bresciiet en Roüssel de VaüzÈme over de huid het licht (Anti. des scienc. nalur. 2ie Série, p. 167, 321), waarin nevens vele sclioone ontdekkingen, ook vele misvattingen, vooral omtrent het weefsel der opperhuid, werden voorgedragen. Rete Malpighii en epidermis beschouwen de schrijvers als het afscheidingsproduct van twee klierachtige toestellen, die in de dikte der cutis liggen, een appareil blennogètie en chromatugène. Het eerste zou slijm of eene aanvankelijk hoornachtige stof afscheiden, de tweede een pigment; beide zouden zich tusschen de tepels der opperhuid uitstorten, zich daar met elkander vermengen, en op de oppervlakte verdroogen, even als gesmolten was het eerst aan de oppervlakte stolt. Het appareil blennogène zou uit eene klier en eene uitlozingsbuis bestaan, die zich in de voren der cutis zou openen; over haar zal bij de cutis sprake zijn. Het appareil chroma-

Sluiten