Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soortgelijke plaatjes inliet speeksel (p. 70) en de conjunctiva (1'fnStitut, N0. 220 Ilij hield echter de kern voor eene opening, welke met de uitlozingsbuis der slijmblaasjes zou overeenkomen, Deze dwaling werd zeer spoedig door Turpin aangewezen (Annal. d. scienc. nat. 2e Sér. T. VII, 1837, p. 209). Tchpin verklaart deze plaatjes voor georganiseerde zakjes of blazen; voor een celweefsel, dat hij met het celweefsel der planten vergelijkt; inwendig bevatten zij water en korreltjes, en daarvan zouden er een of twee tot spliaerische blaasjes ontwikkeld zijn, die binnen in zich reeds eene nieuwe generatie van korreltjes droegen. De hier veronderstelde ontwikkelingsgang is aan die, volgens welke de natuur te werk gaat, juist tegenovergesteld, daar de inwendige blaasjes, kernen, vroeger aanwezig zijn dan de uitwendige. De buitenste laag van afgeplatte cellen schijnt Tdrpin niet te hebben gezien. Zeer juist beschrijft VOGEt {Etter und Eiterung, 1838, S. 88 volg.) de cellen uit de middelste lagen van het laagsgewijs epithelium als slijmblaasjes of epitheliumcellen; de platte cellen der bovenste laag houdt hij voor zamcngevallen slijmblaasjes; de kleine cellen der onderste laag liondt hij voor identisch met etterbolletjes, waarmede zij allezins eene groote overeenkomst bezitten, en hij wordt daardoor tot de beschouwing geleid , dat ook de etter-en slijmbolletjes een epithelium, hoewel een ziekelijk gevormd epithelium, daarstellen. Verg. daartegen het Jahresbericlit in Müller's Archiv 1839, S. XXIII, en liet verder hieronder medegedeelde omtrent de slijmklieren. ëm.e (Oesterr. Jahrb. Bd. XVI, 1838, S. 73) onderzocht de conjunctiva ook ten opzigte van hare opperhuid; op de conjunctiva seleroticae zag hij slechts de diepere laag van meer conische cellen, die hij met regt voor Vaientin's tepellaag erkende; bovendien een eigen epithelium aan te toonen, gelukte hem niet. Ilij houdt de tepellaag voor klierachtig, bestemd ter afscheiding van traiien. Hoe hij aan de conjunctiva corneae de kernen over het hoofd kon zien, weet ik niet; aan liet bindvlies der oogleden scheen de vlakte, Tan boven gezien, hem toe, als uit enkel ronde korreltjes zamengesteld, de vrijstaande rand als scherp begrensd, als afgesneden. De cellen van het cylinder-epithelium der vlokken werden door R. AVagner (Beitriige,lleft 2, 1838, S. 30) als een wollig overtreksel derzelve beschreven, dat op het epithelium-plaatje geplaatst is. De cellen van liet flimmer-epithelium zijn door Donné (Ann. d. sciences natur. 2 Sér. T. VIII, 1837, p. 190) aan het vlies van eenen geëxstirpeerden ncuspolyp, en door Valentin (Repertor. 1837, S. 207) aan het slijmvlies van den neus van het paard, eveneens door afstrijking van het slijm gevonden. Volgens Valentin gaat er van het achterste gedeelte een fijne, weeke, steeds afgescheurde draad uit. Valentin hecht een groot gewigl aan de overlangsche strepen der cellen, die hij voor spiervezelen der flimmerharen houdt. Geen dezer waarnemers denkt aan den nucleus (1). Met zijne gewone overijling verdeelt Donné op de aangehaalde plaats de slijmvliezen in twee afdeelingen, de

(.1) Valentin (in zijne Funct. nervor., noot op pag. 141) voert nog eene waarneming aan omtrent de overlangsche strepen der flimmer-cjlinders. Zij gaan paarsgewijs van eene opzwelling (bulbillus) uit, door middel van welke elk haartje op den bovensten vrijen rand van den cylinder zit. Valentin houdt het daarom voor des te waarschijnlijker, dat zij de grenzen van bewegende spieren der ciliën zijn.

Sluiten