Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PH YSIOLOGIE.

Ook de nagel groeit sJechts door appositie van de vaatrijke oppervlakte af aan, waarmede hij in aanraking is. Een verlies van zelfstandigheid op zijne oppervlakte wordt niet aangevuld (1). Ongetwijfeld giijpt de vorming van nieuwe cellen-rijen aan den achterrand plaats. Ontkleuringen en vlekken worden allengs van den wortel naai den vrijen rand toe voortbewogen. Op de oppervlakte van het nagelligchaam schijnen zij hunnen onderlingen afstand van elkander niet te veranderen. Lavagna (2) maakte twee vlekken met salpeterzuur achter elkander, de eene aan de basis, de andere aan de punt van den nagel. JVa eenige dagen was de achterste vlek iets digter bij de voorste gekomen. Schyvann (5) kwam bij eene soortgelijke proef tot een ander resultaat. Ilij maakte aan den wortel des nagels twee punten, die hij met eene naald uitboorde en met salpeterzuur zilver kleurde, zoowel naast als achter elkander. Toen de punten tot aan den rand der nagels genaderd waren, had zich noch hun zijdelingsche, noch hun overlangsche afstand vei groot. In twee tot drie maanden heeft een nageldeeltje de ruimte van den wortel tot aan den rand doorloopen (Cooper, Schwann). Aan den achterrand van den nagelwortel vindt men bij het kind kleinere, duidelijk kern-bevattende cellen. Maar de nagel moet ook aan zijne ondervlakte groeijen, want het nagelligchaam is dikker dan de wortel, en bij het kind komen erop het geheele nagelbed jongere cellen voor. Ook de verschijnselen bij de regeneratie, waarvan wij zoo aanstonds gewag zullen maken, spreken daarvoor. In

■waren afgescheiden, vond Inj tamelijk ver van elkander verwijderde kernen. IIeme (Jahresb. 1845, p. 51) houdt deze vezels voor niets anders, dan op den rand geplaatste, weeke en voor een gedeelte kernhoudende epidermis-plaatjes.

Van de genoemde overlangsche verlengsels heeft Gükthër er in eenèn nagel van middelmatige grootte GO, in eenen anderen 83 geteld. Zij zijn aan den wortel, aan cfe lunula Vio—Vü"', in het midden en aan het voorste gedeelte van de» na"L' 8/jo 20"' 'l00S- Wat bunnen scheikundigen aard betreft, houdt hij ze ook voor ware hoornstof, omdat zij in water, wijngeest, .ether en azijnzuur onoplosbaar, oplosbaar daarentegen in bijtende potasch zijn (t. a. p. 295).

(1) A. Cooper , Ltmd. vied. and jihijs. Journ. 9 April 1827, p. 289.

(2) Curie dei denti. p. 1G5.

(3) Mikrosk. Unters.. S. 81.

Sluiten