Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Led is Hoor Aibinds (Ad nut. acad. JLibr. II, 1755, p. 56) geleverd, die nog1 tegen de ook door Malpighi (Op. poslh. 1697, p. 99) verdedigde opvatting te kampen had, dat de nagel eene uitbreiding van de pezen der uitstrekkende spieren zijn zou, en die op zijne verwantschap met de opperhuid de aandacht vestigde. Later werd door Lactii (Mémoires sur divers points d'anal. p. 4) en Gdrlt (MiitlER'S Archiv, 1835, S. 263) de rangschikking der plaatjes en papillen van het nagelbed uitvoeriger opgegeven. Bij de opgaven van Lhjth heb ik slechts weinig bij te voegen gehad.

SUipigbi besloot tot het aannemen van een bladerig maaksel der nagels naliet onderzoek van eenen ziekelijk verdikten nagel, waaraan zich de lagen over elkander hadden geschoven. Deze beschouwingswijze volgen de meeste Jalere schrijvers, I.adtii, Mém. sur divers points d'anal. p. 5, M. J. Web er in Besserer, Obs. de untj. anat. el pathol. Bonn 1834, terwijl anderen den nagel voor vezelig verklaren (Haller, Element. Phys. V, p. 26). Gdrlt (t.a.p) houdt de tusschenruiinlen, op de overlangsche doorsnede tusschen de blaadjes zigtbaar, voor vezels. J. F. Meckel verbindt de beide meeningen {Allg. Anat. I, 1815, S. 594) en neemt blaadjes aan, die zich in vezels splitsen. Hem volgt Hecsinger (Histologie, 1822, S. 150). E. H. Weber (Hildebrandt's Anat. I. 1830, S. 194) houdt het bladerige noch het vezelige maaksel voor uitgemaakt. Kradse (Anat. 1833, S. 79) zegt, dat de nagel, zonder eene bepaalde orde, afwisselende, donkere en lichtere, lossere en digtere lagen van ongeveer dikte bevat, zonder dat hij uit af¬

zonderlijke, afgescheidene blaadjes bestaat; bovendien zou bij'in een gelijksoortig weefsel weinige en kleine cellen van 1/545—1/1333'" doormeting insluiten ; als zoodanig kunnen zich de oneffenheden der gespletene oppervlakte aan kleine stukjes voordoen. Ï00RTDA1 (Müller's Archiv, 1840, S. 254) vond in het nagelweefsel korreltjes en vezels, de vezels deels uit korreltjes zameugesteld, deels eenvoudig. Uit zijne beschrijving van het beloop der vezels, die ik hier niet uitvoerig kan leruggeven, blijkt, dat hij deels, even als Gdrlt, de tusschenruimten tusschen de blaadjes, deels de netvormige omtrekken der epithelium-plaatjes voor vezels houdt. De korreltjes zijn voor een gedeelte celkernen, voor een ander gedeelte optische schijnbeelden , waartoe de oneffenheden der oppervlakte aanleiding hebben gegeven. Het bladerig maaksel van den nagel, de zamenstelling der blaadjes uit epidermisschubjes en de cellen van het rete Malpigliü van den nagel bij pasgeborenen werden liet eerst door Schwann (Mikroskop. üniersuch., 1839, S. 90) aangetoond. [In de oorspronkelijke uitgave van dit werk, die in 1841 het licht zag, heeft ook IIenie een lamelleus maaksel der nagels afgebeeld en uitvoerig beschreven. Na de recensie van Kohiradsch (in de Gött. gel. Anzeigen, 184°1) en de door dezen schrijver daarbij medegedeelde waarnemingen, heeft hij echter in bet Jahresbericht van Canstatt (1844, I, 12) teruggenomen hetgeen hij daaromtrent in zijne Allgem. Anatomie had ter neder gesteld, en de door hem vroeger waargenomene strepen, die hem tot het aannemen van een lamelleus maaksel hadden doen besluiten, met Kohlraüsch voor scheuren en bersten verklaard, die hun ontstaan aan het scalpel zouden te danken hebben. Bij ligchamen van gelijke broosheid, en wier maaksel stellig niet bladerig is. werden later ook dikwijls dezelfde strepen door IIenie waargenomen.]

Sluiten