Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verhouding van de opperhuid tot den nagel heeft de ontleedkundigen dikwerf heiig gehouden. Volgens de oudste zienswijze, welke ook nog Béciard (Anat. génër. p. 277) en OlLTVlER (Art. Otigle in Dict. des sciences tnéd.) gedeeld hebben, zoude de opperhuid over den nagel heengaan, en de nagel eene plaat zijn, die tussehen de huid en de epidermis was ingeschoven; volgens M. J. Weber (Elem.d.allg. Anat. 1826, S. 95), Laeth (t. a.p.p.4), Kradse,Gdrlt en Arnoid (fcones anat. Fase. II, Tab. XI, Fig. 19, 20) wordt de nagelgroef met de opperhuid bekleed,die zich vervolgens naar de ondervlakte van den nagel begeeft en van voren in de epidermis van de punt des vingers overgaat, waarbij Laüid evenwel opmerkt, dat de epidermislaag gelijktijdig de jongste laag van den nagel is. Ook Meckel deelt hetzelfde gevoelen, en Heüsihgeh is hem in dit opzigt nagevolgd. Aan de ondervlakte van den nagel zou er eene naauwkeurige ineensmelling van de opperhuid met den nagel plaats vinden, waarom, zoo als Meckel teregt opmerkt, de nagel zich slechts als een meer verdikt gedeelte der opperhuid voordoet. Bcriuch [Phys. als Erfalirungswissen scha fff, V, 103) Iaat de opperhuid van den voorsten rand der groef af over den nagel, en van de punt des vingers af onder den nagel zich voortzetten.

Een ander punt van strijd is de' wijze, waarop de nagels groeijen. Dat de toeToer van nieuwe deeltjes van de groef uitgaat, kon de aandacht van geenen enkelen waarnemer ontgaan, en reeds Leeowenüoek gaf dit als zijne meening bepaald te kennen (Opp. I, 412). Intusschen gaf de toenemende dikte van den nagel naar voren aanleiding tot het beweren, dat er ook door het nagelhed nieuwe stof aan den nagel werd toegevoegd. Voor deze meening verklaarden zich na Malpighi (t.a.p.) nagenoeg alle ontleedkundigen. Ladth, Gerit en Scdwato hebben getracht eene uitvoerige uiteenzetting van dit proces te leveren. Laüth's theorie is van die, welke boven werd aangenomen, niet wezenlijk onderscheiden, en verschilt hoofdzakelijk slechts daarin, dat hij de vorming van den nagel even als gewoonlijk voor eene afscheiding van hoornstof aanziet. Gerit beschouwt het voortgroeijen van den nagel als het resultaat van twee, in eenen regten hoekopelkanderinwerkendekrachten, omdat er in gelijke mate van achteren en onderen vloeibare hoornstof wordt afgezet. Scbwann beschouwt behalve de vorming van nieuwe cellen aan den achterrand, en ook de zelfstandige uitzetting der cellen in de rigting der nagel-oppervlakte, als de kracht, welke den nagel naar voren schuift. De verdunning, die bij hare uitzetting gelijktijdig plaats heeft en waardoor de nagel naar voren dunner zou moeten worden, wordt daardoor verholpen, dat zich ook aan de onderste vlakte aanhoudend nieuwe plaatjes aanvoegen. De verdunning, die van de afplatting der eellen, en de verdikking, die van den groei op de ondervlakte bet gevolg is, zullen met elkander in evenwigt zijn, zoodat de nagel dien ten gevolge overal eene tamelijk gelijkmatige dikte behoudt.

Sluiten