Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bruin pigment in den vliezigen doolhof van den menscli, met name in de bekers. Bij de zoogdieren is het pigment op dezelfde plaatsen duidelijker , en ook door anderen (Scarpa . Comparetti , Bresciiet) waargenomen. Of de zwarte vlekken, die men in de longen en de bronchiaalklieren van volwassenen nagenoeg regelmatig aantreft, normale dan wel pathologische producten zijn, of zij georganiseerde vormsels dan wel eenvoudige bezinksels van ingeademde koolstof zijn, is na de vele onderzoekingen, die daaromtrent zijn in het werk gesteld, nog steeds twijfelachtig. Pearson (1) verklaarde de stof voor koolpoeder, omdat zij noch door chloor, noch door minerale zuren ontkleurd werd. Carswel (2) en Gbaham (5) zijn ook van dit gevoelen. De stof zou in des te grootere hoeveelheid voorkomen, naarmate het individu ouder is, het menigvuldigst bij arbeiders, die veel in rook verkeeren. Graiiam vermoedt echter, dat desniettemin eene ziekte der longen, waardoor het uitstooten van het ingeademde stof belet wordt, de eerste oorzaak is voor deszelfs ophooping. Dezelfde zwarte kleur werd ook door Pearson eenige malen bij oudere huisdieren aangetroffen. Rapp (4) vond ze echter bij dieren, die ver van menschen verwijderd leefden, b.v. bij den bever. Ook is het moeijelijk te begrijpen, hoe ingeademd koolpoeder in de watervaten en watervaatsklieren zal overgaan (5).

(1) Philos. Transact. 1813, P. II, p. 159.

(2) Illustr. of elementary forms of disease, Fase. IV.

(3) Edinb. med. and surgical Journal, 1834, Ne.'121.

(4) Annot. pracl. de tera interpretatione observationum anatomiae patlwlogicae, Tub. 1834, p. 16.

(5) Volgens Brüch (t. a. p.) worden de zwarte vlekken in de longen door pigment gevormd, dat niet alleen bij volwassenen, maar ook, hoewel in eene kleine hoeveelheid en daardoor voor het bloote oog onzigtbaar, bij zeer jonge kinderen voorkomt. Chloor ontkleurt het pigment, hoewel langzaam en onvolkomen. Het pigment volgt den loop der vaten, en zetelt in het interlobulaire bindweefsel. De pigmentkorreltjes komen deels in klompjes, deels in cellen met duidelijke, afzonderlijk daar te stellen kernen voor. Bij zameridrukking der longen spreekt de kleur sterker, omdat zich de kleurende deeltjes digter opeendringen. In de bronchiaalklieren wordt er even zoo standvastig als in de longen een zwart pigment gevonden, over 't algemeen in fraaije cellen, die alle overgangsvormen aanbieden van de ronde tot de spilvormige en vertakte. De pigmentcellen uit de longen van menschen maten 0.0(109—0,0141, gemiddeld 0,0107'"; uit de bron-

Sluiten