Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ronden vorm nabij , en zijn van alle kanten zoo digt mét ligchaampjes opgevuld, dat zij nagenoeg geheel en al zwart schijnen, en de lichte vlek, die als kern moet worden aangemerkt, ook slechts zeldzaam in het midden kan wordèi waargenomen. Zulke cellen liggen er ook in de zelfstandigheid van den regenboog, vooral naar zijnen binnenrand toe.

Wanneer er in de uitwendige huid pigment voorkomt, dan liggen deszelfs cellen tusschen de cutis en het rele Malpighii, ook wel met de cellen van het laatste vermengd, waarvan zij zich door niets anders dan door haren inhoud onderscheiden. Waar de cutis ongelijkheden bezit, zijn zij vooral in de diepere gedeelten, b.v. in de voren tusschen de papillen , opgehoopt. Hier liggen zij meestal in lagen boven elkander; over de verhevenheden liggen zij in eene eenvoudige laag, dikwijls verstrooid. Ook verschilt de graad, waarin zij met pigmenlligchaampjes gevuld zijn. Van deze omstandigheden, • en bovendien van de dikte der epidermis, waardoor de pigmentlaag heenschijnt, hangt de intensiteit der huidkleur af. Hare kwaliteit is waarschijnlijk ook van den aard der pigmentligchaampjes afhankelijk. Bij de negers bezit de vorm der cellen zeer veel ' overeenkomst met die der choroïdea. Zij zijn nu en dan volkomen zeshoekig, of naderen aan den vorm van eenen zeshoek en zijn polyedrisch, onregelmatig rond. Hare doormeting bedraagt 0,0059 tot 0,0062'gemiddeld 0,005"'; de ronde kern, die in cellen, welke met minder pigmentligchaampjes zijn opgevuld, dikwijls zeer duidelijk is, bezit eene doormeting van 0,0016"'. Op de gekleurde huidplekken van het blanke ras, waar de pigmentcellen gewoonlijk minder digt opeen liggen, zijn zij meer rondachtig, klein, en zien er dikwijls slechts als hoopjes van pigmenlligchaampjes uit; hier en daar ziet men echter de kleurlooze zelfstandigheid der cel aan de randen, en wanneer zij aanvankelijk niet zigtbaar is, dan kan men ze door middel van verdund azijnzuur duidelijk maken (1).

(1) De kleur der donkere huidplekken hangt volgens BRCCn (t. a. p.) niet van pigmenlcellen, maar hoofdzakelijk van gekleurde, gele of bruinachtige, korrelige en gladde kernen af, die de plaats van het rele Malpighii innemen'; dit gevoelen van linnen wordt ook door Kraüse (Art. Haut, in Wagner'S Handwörterbuch) gedeeld. Hij vond ook de kleine cellen, van 0,0048"' bruin, hoewel niet zoo donker gekleurd, als hare groote kerner, van 0,0024"'. Jn de middelsto

Sluiten