Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door rotting, drukking en behandeling niet azijnzuur worden al deze cellen opgelost en storten haren inhoud, de pigmentligchaampjes, uit. De pigmentligchaampjes behooren tot de fijnste elementaire deeltjes van het ligchaam (1); zij vertoonen daarom het verschijnsel der moleculaire beweging in eenen hoogen graad. Bij eene 500voudige vergrooting doen zij zich als zwarte puntjes voor; nog meer vergroot, komen zij deels als lichte, komkommerpitvormige blaadjes met eenen donkeren rand, deels als korte staafjes of puntjes te voorschijn (PI. I, fig. 12, Dj. Hetzelfde ligchaampje kan al deze vormen na elkander aannemen. De pigment-moleculen zijn namelijk niet kogelvormig, maar plat, met ovale vlakten; hunne langste doormeting bedraagt 0,0005—0,0007"', en zij zijn ongeveer 4 maal dunner dan lang. In water drijvende zijn zij plat, lijn- of puntvormig, naarmate zij hunne vlakte, kanten of punt naar het oog toekeeren. De pigmentligchaampjes bezitten eene eigenaardige, geel-, roodachtige of bruinachtige kleur, die evenwel slechts dan zigtbaar is, als zij in hoopjes bijeen liggen. Afzonderlijk schijnen zij, bij eene sterke vergrooting, waterhelder. Zij zijn in koud en heet water, in verdunde minerale zuren en in zamengedrongen

vertakte, stervormige enz. beschreven zijn, noemt Dnocn (t. a. p.) met pigment voorziene (pigmenlirte) vezelcellen. Als wet stelt lüj vast, dat alle pigmenteellen in hare ontwikkeling den typus van liet moederweefsel volgen; in epitheliën doen zij zich als cellen voor, in de vezelige weefsels der sclerotica, choroïdea, cutis, pia maler enz. als vezels. De choroïdea is hare zwarte kleur zoowel aan het overtreksel van polyedrische cellen, als aan de in haar weefsel ingestrooide vezelcellen verschuldigd. Volgens IIcscdke (Sommering, vom Baue d. menschl. Kör/iers) worden deze hoofdzakelijk in de buitenste laag der choroïdea gevonden. De cellen zijn 0,0055'" dik, de van haar uitgaande vezels 0.0011"'. Ook de sclerotica bevat volgens Brdch hier en daar pigmentccllen, vooral naar hare binnenvlakte toe, en daarvan is de blaauwachtige kleur afhankelijk, die zij dikwijls bezit, niet van de doorschemerende choroïdea. De iris heeft hare kleur, zoo als Brdcii en IIüscdke beide opgeven, aan velerlei gelijktijdig werkende oor. zaken te danken; de bruine nuancen hangen doorgaans van ingestrooide pigmentcellen af; de graauwe, blaauwe en groene daarenlegen zijn entoptisch. De uvea oefent ook eenen grooten invloed op bare kleur uit, want na bare verwijdering gaat nagenoeg alle kleur verloren. (Verg. IIenle in cinstatt's Jahresk. 1844, I, 14.) Vert.

(1) Bij de dieren komen er ook enkele, grootere kogeltjes in de pigmentcellen voor, welke naar vetdroppels gelijken, en niet met de kern verwisseld mogen worden.

Sluiten