Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine stauJjes. Ehre.nberg in Poggendorff's Ann. XXVIII, 469 (1).

In de plaats van het pigment der choroïdea worden hier en daar elementen van eene andere soort gevonden. In witbloedige dieren ontbreekt, zoo als reeds is opgemerkt, het zwarte pigment, maar niet de laag van polyedrische cellen op de choroïdea. Bij de herkaauwende dieren liggen de pigmentcellen slechts op het buitenste gedeelte der choroïdea. Naar het midden toe komen er wel soortgelijke polyedrische cellen voor, maar zonder korrelig pigment. Misschien is van den inhoud dezer cellen de blaauwgroen glinsterende kleur van het tapclum afhankelijk; misschien hangt zij ook, zoo als Valeivtin aanneemt (t. a. p.), van de daar achterliggende fijne vezels der choroïdea af, en zij is een entoptisch verschijnsel. De verscheurende dieren bezitten op de genoemde plaatsen eene laag mikroskopische korreltjes van afgezette kalkzouten. Z. IIassenstein , De luce ex quornndam animalium oculis prodeunle atque de tapelo lucido, Jenae, 1836. Bij enkele visschen (snoek, enz.) komt vóór het zwarte pigment eene eigendommelijke laag van grootere en kleinere, grootendeels volkomen Jfbgelronde, bij opvallend lichtwitte cellen voor. Deze zijn geheel en al met kleine ligchaampjes gevuld, die reeds binnen in de cellen moleculaire beweging vertoonen en oorzaak van de witte kleur der kogeltjes zijn, die in water bersten en hunnen inhoud uitstorten. Zoutzuur lost de korreltjes niet op.

Ook onder de opperhuid der slijm- en weivliezen hebben vele dieren ophoopingen van pigment, de herkaauwende in de pia mater, kikvorschen onder het peritonaeum.

(1) Het blaauwe en roode pigment van de kreeft vond Schmjdt [Zur verqleichenden Physiol. d. wirbellos. '1'klere. 1844) in eene onder de seliaal gelegene epitheliumlaag in den vorm van hoekige korreltjes van 0,0008—0,0012''', liet eerste in de celkernen, liet laatste in vertakte pigmentcellen (Verg. Hesle, t.a. p. 1845, p. 52). Y'ert.

Even als de opperhuid, is ook het korrelig pigment tot in den jongsten tijd als eene vormlooze, afgescheidene stof, eene soort van gekleurd slijm, beschouwd geworden. De oudere ontleedkundigen namen als hare afscheidings-organen klieren in de zelfstandigheid der choroïdea aau, welker bestaan eerst door Rdtsch , Morgagiyi en Zin» bestreden werd (z. Hamer , Elein. Phys. V. 384.) Later stelde men

Sluiten