Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich voor, dat de afscheiding onmiddellijk uit de vaten der choroïdea plaats greep; van deze meening is nog Arnold (Ueber das Auge, 1832, S. 62); om zich van de verhouding van het pigment te overtuigen, raadt hij het onderzoek van oudere en eenigzins gemacereerde oogen aan. Blcmendacii's meening [Gen. hum. variet. 1795, p. 124), die vele navolgers gevonden heeft, is, dat uit de afscheidingsstof der huid bij de negers koolstof wordt neder^eslagen, die zich hij blanken in koolzuur zou veranderen. Voor het pigment der huid werd overigens nog voor korten tijd een klierachtige toestel ontdekt en beschreven door Breschet en Roüssel de Vaczème (A/mal. d. sc. natur. 2e sér. T. II, 1834, p. 323), waarover boven bij de epidermis reeds sprake geweest is.

Bij Leeuwenhoek wordt slechts eene korte opmerking omtrent het pigment gevonden (Opp. T. I, P. 1, pag. 38). Zoo als zoo dikwerf geschied is, hield hij de tusscbencelgangen voor een fijn vaatnet, en berekent daaruit, boe klein de deeltjes zijn moeten, die in de laatste vaatvertakkingen des ligchaams circuleren. Het eerste, meer naauwkeurige, mikroskopiscbe onderzoek van bet oog-pigment wordt bij Mondini (Cumment. Bonon.\U, 1791, p. 29) aangetroffen. Hij vermeldt reeds, dat liet pigment geen eenvoudig slijm is, maar een waar vlies, gevormd uit kogeltjes, die in een quincunx (1) staan, digter in de uvea en iris. Aan het tapetum zouden deze kogeltjes doorschijnend en wit zijn. Zijn zoon zette zijne onderzoekingen voort (Opusc. scientif. di Bologna, T. II, 1818, p. 15). Bij eene sterke vergrooting vond bij elk kogeltje uit zwarte puntjes zamcngesteld, die naar de peripherie in grooteren getale voorkomen dan in het centrum, en dikwijls polvgonaal zijn. Op de achtervlakte der iris liggen zij in verschillende lagen boven elkander; van daar de donkere kleur der uvea. Vele afbeeldingen zijn bij dit opstel gevoegd. De korreltjes op de choroïdea van witbloedige dieren, die Mondini voor identisch houdt met de pigmentcellen, zijn de celkernen. Vroeger had ook reeds Kieser (De anamorphosi oculi, 1804, p. 34), na eene volkomen juiste waarneming, het pigmentvlies als een celweefsel beschreven, dat sphaerische ligchaampjes bevatte. Schültze (Vergl. Anat. 1828, S. 119) zag in het oog van vogels en zoogdieren veelhoekige, nagenoeg kogelvormige ligchaampjes, die doorschijnend werden, zoodra men ze van de zwarte stof ontdeed, welke ze omkleedde. Zij zouden door uitsteeksels aan elkander verbonden zijn, die aan alle kanten ontstaan en aan het afzonderlijk ligchaampje een stekelig aanzien geven. De doormeting zou1/^—Vso"' bedragen (blijkbaar veel te groot en zeker wel slechts bij benaderde schatting berekend). Van de kleine pigment-Iigchaampjes geeft reeds E. II. Weder op (Hildebrandt's Anat. I, 1830, S. 161), dat zij niet volkomen rond zijn. In versche oogen vond bij grootere, ronde kogeltjes van 0,005—0,007y// in doormeting, die in water opzwollen, en eindelijk in de kleine korreltjes gesplitst werden. Bijeen menschen-embryo van 3 tot 4 maanden bestaat volgens v. Ammon (Zeitsclirift f Ophthalmol. II, 1832, S. 510) het pigment uit tamelijk regelmatige, kleine, zwarte vlekken, die er dikwijls als wascellen uitzien. R. Wagner (t. a. p. III, 1833, S. 284, verg. Bürdacd, Physiol. V, S. 180) bevestigde de waarneming

* *

(1) Quincunx, de vijf als figuur * Vert.

Sluiten