Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toonen zich, zoo als bekend is, zeer aanmerkelijke verschillen in fijnheid; de blonde haren zijn meestal fijner dan de donkere. Ook in de verschillende ligchaamsstreken van hetzelfde individu komen er haren van zeer verschillende dikte en lengte voor, waarop wij later zullen terugkomen. In het algemeen kan men de doormeting der langere haren, b.v. die van het hoofd, op 0,01—0,05'", de doormeting der fijne wolharen van het ligchaam op ongeveer 0,006"' vaststellen.

Men onderscheidt aan elk haar het onderste einde , de wortel, die meestal dikker is, in de huid verborgen ligt en zich bij dikkere haren in het vetweefsel onder de huid, aan de oogleden en het oor ook in de zelfstandigheid van den tarsus en het oorkraakbeen uitstrekt; verder het ligchaam van het haar of de haarschacht, die zich nog slechts voor een klein gedeelte in de huid bevindt, en grootendeels boven de oppervlakte van het ligchaam uitsteekt, en aan deze weder het bovenste, vrije uiteinde, de punt.

BÜ de beschrijving van de fijnere structuur van het haar maken wij met de schacht een begin. Aan haar onderscheidt men gewoonlijk twee zelfstandigheden, eene buitenste, meer doorschijnende en gladde, de bast (PI. I, fig. 14, h), en eene binnenste, korrelige, het merg (Fig. 14, ij). Het merg is in de gekleurde haren donker, in de blonde haren glinsterend wit, even als de bastzelfstandigheid, zoodat de kleur van het haar hoofdzakelijk van het merg afhangt ; in de gekleurde haren is echter ook de bast niet kleurloos, maar slechts minder intensief gekleurd.

De bastzelfstandi gheid vertoont in hare geheele lengte zeer in het oog loopende overlangsche strepen (PI. I, fig. 14, »), zoodat zij als het ware uit afzonderlijke vezels schijnt zamengesteld. Somtijds laten er zich ook bij overlangsche splijting enkele vezelige stukken afnemen, en aan geknakte plaatsen ziet men de gebrokene uiteinden in enkele, onregelmatige vezels splijten. Het sterkst sprekend vertoont zich hare vezelige structuur somtijds in de nabijheid van den wortel, daar er zich bij het uittrekken van het haar uit de cutis stukken van de buitenste laag overlangs afscheiden en naar beneden omslaan , even als bij een riet of grashalm, wanneer men de epidermis in enkele strooken heeft afgetrokken (Fig. 16, ff). De vezels zijn licht, met eenigzins donkere en ruwe randen, regt, stijf

Sluiten