Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en broos, 0,0027"' breed en volkomen plat. Of zij met elkander anastomoseren, zoo als in Fig. 16, g, het geval schijnt, kan ik niet bepaald opgeven; in elk geval geschiedt het slechts hoogst zeldzaam. De strepen loopen naar de punt van het haar te niet; naar den wortel toe worden zij duidelijker, en hier ziet men ook dikkere, overlangs loopende en donkere strepen, die zich als korte, dikwerf afgebrokene voren voordoen; hierover zal later gehandeld worden. De overlangsche strepen zijn in elke sleuf tot aan de mergzelfstandigheid toe duidelijk zigtbaar.

De haarschacht heeft echter gewoonlijk nog eene andere soort van strepen, die alleen aan de oppervlakte zigtbaar zijn, namelijk dwarse, eenigzins scheef loopende, golfvormig gebogene lijnen, die eene zeer merkbare schaduw geven, en nu en dan ook aan den rand van het haar eenigzins uilsteken (Fig. 14 ,p). Dit loopt bijzonder in het oog aan de punt der dikkere haren en aan de fijne wolharen, die daardoor dikwijls het voorkomen krijgen van een bamboesriet. Dikwijls verbinden zij zich onder elkander, doordien twee dwarsstrepen tot eene enkele ineenloopen. Zij staan zoo digt opeen, dat er op eene lengte van 0,1"' 20—28 zulke strepen voorkomen. Men kan zich gemakkelijk overtuigen, dat zij slechts tot de oppervlakte behooren. Beschouwt men toch een cylindrisch haar, b.v. een hoofdhaaf, bij eene sterke vergrooting, terwijl men het met eene kleine hoeveelheid water tusschen twee glazen platen perst, en brengt men zijne oppervlakte in den focus, dan zijn het eerst de dwarsstrepen duidelijk, terwijl de mergzelfstandigheid in het geheel niet of slechts schemerend gezien wordt. Brengt men vervolgens de objectief-linzen allengs digter bij het voorwerp, dan verdwijnen de dwarsstrepen , en het merg wordt duidelijk zigtbaar; gaat men vervolgens voort met de schroeven op dezelfde wijze te bewegen, dan wordt het merg weder onduidelijk, en de dwarsstrepen der ondervlakte komen in den juisten afstand van den focus.

Aan haren, die overlangs gespleten of zeer scheef doorgesneden zijn, ziet men op de doorgesnedene oppervlakte geene dwarsstrepen, maar wel de overlangsche vezels. Daar de dwarsstrepen aan den rand uitsteken, vormt er zich een beeld, als bestond het haar uit in elkander stekende buizen , wier bovenste omtrekken door de dwarsstrepen zouden worden aangeduid. Voor zulk eene vorming schijnt

.

Sluiten